Politieverordening m.b.t. overlast

Algemene politieverordening

 

OVERLAST

Politieverordening ter beteugeling van overlast

 

Inhoudstabel

 

  1. OPENBARE RUST

    1. Algemene bepalingen
      1. Geluidsoverlast
      2. Niet-hinderlijk geluid
    2. Specifieke bepalingen
      1. Laden en lossen
      2. Muziek
      3. Geluidsgolven privé-eigendommen en voertuigen
      4. Voertuigen
      5. Voertuigen met luidsprekers
      6. Hulpmiddelen
      7. Grasmaaiers
      8. Toestellen voor recreatief gebruik
      9. Wapens
      10. Vuurwerk
      11. Luchtdrukkanonnen
      12. Dieren
      13. Alarmsystemen in voertuigen
      14. Inrichtingen die gewoonlijk voor het publiek toegankelijk zijn
  2. OPENBARE VEILIGHEID EN VLOTTE DOORGANG

    1. Samenscholingen, betogingen, optochten, openbare vergaderingen, manifestaties
      1. Vergaderingen in open lucht
      2. Andere openbare vergaderingen
      3. Bescherming van het privé-leven
      4. Zich niet identificeerbaar vertonen op het openbaar en privaat domein van de overheid
      5. Confetti en dergelijke
      6. Openbare zeden
    2. Invloed van werkzaamheden en gevaarlijke activiteiten
      1. Werkzaamheden
      2. Invloed van werkzaamheden op het openbaar domein
      3. Openbare veiligheid en veilige en vlotte doorgang
      4. Skateboards
      5. Drukwerken
      6. Verstoring
    3. Gebruik van gevels van gebouwen
      1. Huisnummers
      2. Aanduidingen van openbaar nut
    4. Algemene maatregel ter voorkoming van schendingen van de openbare veiligheid
      1. Geluidssignalen
      2. Bedrieglijke oproepen
      3. Toegang tot onbezette gebouwen
    5. Bijzondere maatregelen die in acht dienen te worden genomen bij sneeuw of vrieskou
      1. Openbare weg en voetpaden
      2. Kanalen, waterbekkens en waterlopen
    6. Verhuizingen
  3. DIVERSE BEPALINGEN

  4. SANCTIES

  5. OPHEFFINGSBEPALING

 

1. OPENBARE RUST

 

1.1. Algemene bepalingen

  • 1.1.1. Geluidsoverlast

Is verboden, om het even welk geluid, gerucht of rumoer gedurende de dag en de nacht, veroorzaakt zonder reden of zonder noodzaak en dat is toe te schrijven aan een gebrek aan vooruitzicht en voorzorg en dat van aard is de rust van de inwoners in het gedrang te brengen.

Het bewijs kan met alle mogelijke middelen geleverd worden.

 

  • 1.1.2 Niet-hinderlijk geluid

Het geluid wordt als niet hinderlijk beschouwd en kan geen aanleiding geven tot een gerechtvaardigde klacht wanneer het:

  • het gevolg is van werken aan de openbare weg of voor het aanleggen van openbare nutsvoorzieningen, uitgevoerd met toelating van de daartoe bevoegde overheid of in opdracht van die overheid;
  • het gevolg is van werken uitgevoerd op werkdagen en zaterdagen aan private eigendommen, waarvoor door de bevoegde overheid een vergunning werd afgeleverd, of van verbeterings-, verbouwings- of onderhoudswerken aan dergelijke eigendommen die zonder vergunning kunnen worden uitgevoerd, en waarbij de nodige voorzorgen worden getroffen om overdreven of niet noodzakelijk lawaai te vermijden;
  • het gevolg is van werken of handelingen die bij hoogdringendheid of zonder verder uitstel moeten worden uitgevoerd ter bescherming van personen of eigendommen, of ter voorkoming van rampen;
  • het gevolg is van een door het gemeentebestuur vergunde manifestatie, voor zover de in de vergunning opgelegde voorwaarden worden nageleefd;
  • het een geluid betreft dat kinderen met hun stemmen maken (bijgevoegd ingevolge beslissing van de gemeenteraad dd. 24.04.2008).

 

1.2. Specifieke bepalingen

  • 1.2.1. Laden en lossen

Voor het hanteren, laden of lossen van materialen, toestellen of gelijk welke voorwerpen die geluiden kunnen voortbrengen, zoals platen, bladeren, staven, dozen, vaten of metalen recipiënten of andere, gelden de volgende principes:

  1. deze voorwerpen dienen gedragen en niet gesleept te worden, op de grond geplaatst, en niet geworpen te worden;
  2. als deze voorwerpen door hun afmetingen of hun gewicht niet gedragen kunnen worden, dienen ze uitgerust te zijn met een voorziening waardoor ze geluidsarm verplaatst kunnen worden.
  3. laden en lossen is niet toegelaten tussen 22 uur en 7 uur, uitgezonderd voor openbare dienstverlening;

 

  • 1.2.2. Muziek

Behoudens machtiging van de Burgemeester zijn de volgende zaken verboden in de openbare ruimte: vocale, instrumentale of muzikale audities, het gebruik van luidsprekers, versterkers of andere apparaten die geluidsgolven produceren of

reproduceren.

 

  • 1.2.3. Geluidsgolven privé-eigendommen en voertuigen
  1. Het is verboden op de openbare weg en op de openbare plaatsen(groene zone, parken en andere) in open lucht radio’s, televisietoestellen, jukeboxen, grammofonen, registreerapparaten, luidsprekers en in het algemeen alle soorten ontvang- en zendtoestellen te laten functioneren, tenzij de voortgebrachte geluidssterkte het niveau van 45db(A) niet overtreft.
  2. Het gebruik van deze toestellen binnenshuis, op particuliere eigendom mag niet hoorbaar zijn op de openbare wegen en plaatsen, onverminderd de geldende wetgeving voor wat betreft geluid van elektronisch versterkte muziek.
  3. In afwijking van 1.2.3.1. is het verboden elektronisch versterkte muziek in voertuigen te produceren, die hoorbaar is buiten het voertuig. De overtredingen tegen deze bepaling, die aan boord van voertuigen worden begaan, worden verondersteld door de bestuurder te zijn begaan.

 

  • 1.2.4. Voertuigen

Het is verboden voertuigen of toebehoren bij het voertuig (o.a. koelinstallaties) draaiend te houden terwijl het voertuig stilstaat, tenzij daartoe noodzaak is, en indien de nodige voorzorgen genomen zijn, onverminderd de bepalingen van de wegcode.

 

  • 1.2.5. Voertuigen met luidsprekers

Het gebruik van voertuigen uitgerust met of voorzien van luidsprekers en bestemd voor het maken van reclame is onderworpen aan de voorafgaande geschreven toelating van de burgemeester. Deze toelating moet steeds in het voertuig aanwezig zijn. Die toelating kan slechts toegestaan worden van 08 uur tot 18 uur in de periode van 1 oktober tot 31 maart en 08 uur tot 20 uur in de periode van 1 april tot 30 september. Daarenboven mag het voortgebrachte geluid het niveau van 50 dB(A) niet overschrijden in de woningen. Het geproduceerde geluidsniveau mag daarenboven niet hoger liggen dan 90 dB(A).

 

  • 1.2.6. Hulpmiddelen

Onverminderd artikel 43 van het KB van 15 maart 1968, houdende vaststelling van het technisch reglement op de auto’s, en artikel 33 van het KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg, is het aanwenden van fluiten, sirenen, bellen, klokken, muziek, geluidsverwekkende hulpmiddelen, door handelsinrichtingen, bewegende verkoopsinrichtingen, venters of leurders, opkopers van oude of nieuwe voorwerpen en dienstverleners, met het doel de aandacht te trekken op de verkoop van een product of het verlenen van een dienst, enkel toegelaten, behoudens machtiging van de burgemeester:

  • voor de periode van 1 oktober tot 31 maart dagelijks tussen 9.00 u en 19.00 u.
  • voor de periode van 1 april tot 30 september dagelijks van 9.00 u tot 20.00 u.

Afwijkingen hierop kunnen worden toegestaan door de burgemeester of zijn gemachtigde, dit na schriftelijk verzoek van de betrokkene.

De bovengenoemde geluidssignalen mogen niet meer dan 50 dB(A) bedragen in de woningen.

Verder mag het geluidssignaal niet langer dan 10 seconden duren en moet er minstens een rustpauze van 1 minuut gerespecteerd worden tussen 2 opeenvolgende geluidssignalen. Het geproduceerde geluidsniveau mag daarenboven niet hoger  

liggen dan 90 dB(A).

 

  • 1.2.7. Grasmaaiers

Het gebruik in open lucht van houtzagen of grasmaaiers en andere werktuigen aangedreven door ontploffings- en/of elektrische motoren is enkel toegelaten 8 uur en 20 uur.

Op zondagen en wettelijke feestdagen is het gebruik van dergelijke toestellen verboden. Dit artikel is niet van toepassing voor de normale exploitatie van landbouwgronden.

 

  • 1.2.8. Toestellen voor recreatief gebruik

Buiten de erkende terreinen waarop afzonderlijke reglementen van toepassing zijn, is het verboden met ontploffingsmotoren aangedreven speeltuigen, experimenteertuigen te gebruiken om er oefeningen, vertoningen, persoonlijke of groepsvermakelijkheden, wedstrijden of manifestaties mee te houden of in te richten in open lucht, op minder dan 300 meter van natuurgebieden, woonwijken of woonkernen of enig bewoond huis.

Afwijkingen op deze bepaling kunnen door de burgemeester worden toegestaan ter gelegenheid van feestelijkheden of vieringen.

 

  • 1.2.9. Wapens

Zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de jacht en betreffende het besluit van de Vlaamse Regering houdende het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning van 6 februari 1991 en latere wijzigingen, is het verboden, zowel op de openbare weg als op private domeinen, binnenkoeren, gebouwen en op alle plaatsen palende aan de openbare weg, vuurwapens af te vuren.

Deze verbodsbepaling is niet van toepassing op de schietoefeningen die ingericht worden op officieel vergunde schietstanden.

 

  • 1.2.10 Vuurwerk

Zonder afbreuk te doen aan de wettelijke en reglementaire bepalingen is het verboden, zowel op de openbare weg als op private domeinen, binnenkoeren, en op alle plaatsen palende aan de openbare weg, om het even welk vuurwerk af te steken of voetzoekers, thunderflashes, kna l-en rookbussen te laten ontploffen, uitgezonderd op oudejaarsavond.

De burgemeester is ertoe gemachtigd toelating te verlenen tot het afsteken van feestvuurwerk.

 

  • 1.2.11. Luchtdrukkanonnen
    • Het gebruik van al dan niet automatische vogelschrikkanonnen of gelijkaardige toestellen, met inbegrip van toestellen, al dan niet elektronisch versterkt, die het geluid laten horen van krijsende vogels, voor het verjagen van vogels bij het beschermen van de akkerbouw, tuinbouw en fruitteelt is enkel toegestaan na schriftelijke machtiging van de burgemeester. De aanvraag wordt gemotiveerd en moet toelaten de mogelijke hinder van de installatie te beoordelen.
    • Luchtdrukkanonnen mogen enkel opgesteld worden op een afstand van meer dan 200 meter van een woongebied zoals bepaald in gewestplannen en/of andere plannen van aanleg of RUP’s.
    • Het gebruik van luchtdrukkanonnen is verboden tussen 19.00 uur en 9.00 uur. Op gemotiveerd verzoek kan in de machtiging een ingekorte verbodsperiode worden bepaald.
    • Het kanon mag niet meer dan 6 knallen per uur produceren.
    • De opening van het kanon moet steeds in de meest gunstige richting geplaatst worden ten aanzien van hindergevoelige plaatsen of gebieden, zoals omschreven in lid 2 van dit artikel.

 

  • 1.2.12. Dieren

Dieren mogen geen abnormale hinder veroorzaken voor de omwonenden door aanhoudend geblaf, geschreeuw of gekrijs. De houders van dieren waarvan het geluid van aard is om de rust van de omwonenden te storen zijn strafbaar met de in onderhavige verordening bepaalde straffen.

 

  • 1.2.13. Alarmsystemen in voertuigen

Alarmsystemen op voertuigen die zich in de openbare ruimte of op privé-eigendommen bevinden mogen in geen geval de buurt verstoren.

De eigenaar van een voertuig waarvan het alarm afgaat, moet het alarm dadelijk uitschakelen.

Wanneer de eigenaar niet opdaagt nadat het alarm ongepast afgegaan is, mogen de politiediensten de nodige maatregelen nemen om die hinder te beëindigen, op kosten en risico van de overtreder.

 

  • 1.2.14. Inrichtingen die gewoonlijk voor het publiek toegankelijk zijn
    • Wordt bestraft met de straffen voorzien in art 4 , de uitbater van een drankslijterij die een besluit van de burgemeester overtreedt, waarbij met het oog op de vrijwaring van de openbare orde, de sluiting van zijn inrichting wordt bevolen.
    • de officier van bestuurlijke politie kan, na een eerste waarschuwing en tot de eerstvolgende ochtendopening, de voor het publiek toegankelijke gelegenheid sluiten, wanneer de uitbating ervan de openbare rust verstoort zoals bepaald in artikel 1.1.1. De uitbater die aan dit bevel tot sluiting geen gevolg geeft, wordt bestraft met de straffen voorzien in art 4.

 

2. OPENBARE VEILIGHEID EN VLOTTE DOORGANG

 

2.1.Samenscholingen, betogingen, optochten, openbare vergaderingen, manifestaties

  • 2.1.1. Vergaderingen in open lucht

Behoudens schriftelijke toelating van de burgemeester is het organiseren van elke manifestatie op de openbare weg en vergadering in open lucht verboden. De aanvraag daartoe moet schriftelijk en minstens 10 kalenderdagen voor de voorziene datum ingediend worden.

Elke persoon die deelneemt aan een vergunde samenscholing op de openbare weg, of een vergadering in open lucht, dient zich te schikken naar de bevelen van de politie die tot doel hebben de veiligheid of het gemak van doorgang te vrijwaren of te herstellen.

De houders van de in dit artikel bedoelde toelating zijn verplicht zich te schikken naar de voorwaarden vervat in het toelatingsbesluit.

 

  • 2.1.2. Andere openbare vergaderingen

De burgemeester moet minstens 48 uur op voorhand op de hoogte gebracht worden van de openbare vergaderingen die niet in openlucht plaatsvinden.

 

  • 2.1.3. Bescherming van het privé-leven

Alle manifestaties met als doel eisen te doen gelden aan privé-woningen van personen die deze eisen kunnen inwilligen of de inwilliging ervan kunnen bewerkstelligen, zijn verboden.

De persoonlijke afgifte van petities of eisenbundels aan privé-woningen door een beperkte delegatie van maximum 5 personen kan wel toegelaten worden op voorwaarde dat de bestemmeling aanwezig is er erin toestemt ze in ontvangst te nemen. De toestemming hiertoe dient te worden gevraagd aan de burgemeester.

 

  • 2.1.4. Zich niet identificeerbaar vertonen op het openbaar en privaat domein van de overheid

Behoudens andersluidende wettelijke of reglementaire bepalingen of behoudens schriftelijke en voorafgaande gemotiveerde toelating van de burgemeester, is het verboden op het openbaar en privaat domein van de overheid het gelaat volledig te

bedekken zodanig dat de identificatie van de persoon onmogelijk is.

Het in het voorgaande lid voorziene verbod geldt niet voor activiteiten met commerciële doeleinden en culturele en sportieve manifestaties die de burgemeester bepaalt, zoals bijvoorbeeld carnaval, processies, georganiseerde stoeten, Sinterklaas,

Kerstman e.a.

Het is voor iedereen, ook de gemaskerde, vermomde of verklede personen verboden:

  • iemand aan te klampen;
  • aanstootgevende handelingen te plegen;
  • voorwerpen, die enig gevaar voor zichzelf of voor anderen kunnen veroorzaken, te dragen of te gebruiken;

Voor de toepassing van dit reglement wordt onder het gelaat verstaan: “het voorhoofd, de wangen, de ogen, de oren, de neus en de kin”.

Elke persoon moet zich steeds op het eerste verzoek vanwege de politie identificeren.

Het is verboden zich te verkleden in de actuele ambtskledij van burgerlijke en militaire overheden en politieambtenaren.

 

  • 2.1.5. Confetti en dergelijke

Het is verboden tijdens carnavalsoptochten en andere openbare manifestaties computerconfetti en andere materialen bestaande uit kunststof(plastiek) te werpen of te bezitten, alsook spuitbussen met kleur- en scheerschuim en spuitbussen met kleurhaarlak, schoensmeer, en/of enig ander middel dat kwetsuren en/of schade kan veroorzaken aan personen en/of goederen, op de openbare weg of in de openbare inrichtingen te gebruiken of te bezitten.

Met computerconfetti wordt enkel bedoeld de confetti vervaardigd uit afval van computerpapier.

Blijft verboden:

  1. het werpen van confetti of slingerpapier in openbare plaatsen, waar dranken of eetwaren worden verbruikt;
  2. het werpen van opgeraapte confetti of slingerpapier.

 

  • 2.1.6. Openbare zeden

Het is verboden op het openbaar domein, zichtbaar van op de openbare weg te urineren tenzij op plaatsen of accommodaties die speciaal hiervoor zijn ingericht. Het gebruik hiervan moet gebeuren met inachtneming van de regels van goed fatsoen.

 

2.2. Hinderlijke werkzaamheden en gevaarlijke activiteiten

  • 2.2.1. Werkzaamheden

Behoudens machtiging van het college van burgemeester en schepenen, is het uitdrukkelijk verboden werkzaamheden te starten op het openbaar en privaat domein van de gemeente, zowel aan de oppervlakte als onder de grond.

De personen die werkzaamheden in boven vermelde zin wensen te starten dienen zich te houden aan de gemeentelijke reglementen betreffende de beschadiging van voetpaden en wegen bij private bouwwerken.

Iedere persoon die werkzaamheden op de openbare ruimte uitvoert of laat uitvoeren, is er toe gehouden die te herstellen in de staat waarin ze zich voor de uitvoering van de werkzaamheden bevond of in de staat die in de machtiging vermeld is.

Onverminderd de toepassing van een administratieve boete moet diegene die deze paragraaf overtreedt, de zaken onmiddellijk in orde brengen, zoniet houdt de gemeente zich het recht voor het te doen op kosten en op risico van de overtreder.

 

  • 2.2.2. Invloed van werkzaamheden op het openbaar domein

Voor de toepassing van deze afdeling worden de werkzaamheden bedoeld die buiten de openbare weg uitgevoerd worden en die weg kunnen bevuilen of de veiligheid of de gemakkelijkheid van doorgang kunnen belemmeren.

De burgemeester kan de nodige veiligheidsmaatregelen voorschrijven.

Werkzaamheden die stof of afval op de openbare weg of de omringende eigendommen kunnen verspreiden mogen slecht aangevat worden na het aanbrengen van schermen.

De bouwheer is verplicht de burgemeester of zijn gevolmachtigde minstens 24 uur voor het begin van de werkzaamheden op de hoogte te brengen van de aanvang.

Indien de weg door de werkzaamheden wordt bevuild, moet de uitvoerder van de werken hem onverwijld opnieuw schoonmaken.

 

  • 2.2.3. Openbare veiligheid en veilige en vlotte doorgang
    • Het is verboden op het openbaar domein, op plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn gelijk welke activiteit uit te oefenen die de openbare veiligheid of de veilige en vlotte doorgang in het gedrang kan brengen, zoals:
      • gelijk welke voorwerpen wegwerpen, gooien of voorstuwen, behoudens machtiging van de bevoegde overheid; deze bepaling is niet van toepassing op sportdisciplines en spelen die in aangepaste installaties worden uitgeoefend;
      • klimmen op afsluitingen, in bomen, op palen, op gelijk welke constructies of installaties;

 

De burgemeester kan bevelen alle voorwerpen weg te nemen, of laten wegnemen op kosten van de overtreder, waarvan de plaatsing een privatief gebruik van de openbare weg uitmaakt op de begane grond alsook erboven of eronder, dat een aanslag kan betekenen op de veiligheid of het gemak van doorgang en waarvan de plaatsing niet voldoet aan de voorschriften

 

  • 2.2.4.Skateboards

Het gebruik van skateboards is op het openbaar domein niet toegelaten, behoudens op de daartoe aangeduide en ingerichte plaatsen. De plaatsen worden bepaald door het college van burgemeester en schepenen, op dit moment zijn dergelijke inrichtingen voorzien te:

  • Hooiplaats
  • Emiel Van Dorenlaan 144 (parking sportcentrum)Zandoerstraat, zwembad Boxbergheide
  • Smeilstraat

 

  • 2.2.5.Drukwerken

Behoudens machtiging van de burgemeester is het verboden flyers, strooibriefjes uit te delen of te verspreiden.

Onverminderd de toepassing van de boete, moet degene die deze bepaling overtreedt de flyers en strooibriefjes opruimen, zoniet houdt de gemeente zich het recht voor dit te doen op kosten van de overtreder.

Het bedelen van ongewenste reclame is strafbaar.

Het is verboden reclamedrukwerk en gratis regionale pers te bedelen in leegstaande panden of achter te laten op andere plaatsen, anders dan de brievenbus.

Het is verboden niet geadresseerd reclamedrukwerk met uitsluitend commerciële bedoelingen te deponeren in de brievenbussen die voorzien zijn van een tekst waarbij de bewoners te kennen geven dat zij dit niet wensen.

 

  • 2.2.6.Verstoring

Het is verboden op gelijk welke manier ieder concert, spektakel, evenement, sportieve bijeenkomst of gelijk welke bijeenkomst die door de gemeentelijke overheid toegelaten is, te verstoren.

 

2.3. Gebruik van gevels van gebouwen

  • 2.3.1. Huisnummers

Iedere eigenaar van een gebouw brengt aan de straatkant de huisnummering die door de gemeente toegekend werd, goed zichtbaar aan. Elke bewoner is verplicht deze zichtbaar te houden.

 

  • 2.3.2.Aanduidingen van openbaar nut

De eigenaars, vruchtgebruikers, huurders, bewoners of verantwoordelijken op grond van gelijk welke titel van een gebouw dienen, zonder dat dit voor hen enige schadeloosstelling impliceert, op de gevel of topgevel van hun gebouw, ook wanneer deze zich buiten de rooilijn bevindt, en in dit geval eventueel aan de straatkant, toe te staan dat aanduidingen van openbaar nut en andere nutsvoorzieningen worden aangebracht.

 

2.4. Algemene maatregel ter voorkoming van schendingen van de openbare veiligheid

  • 2.4.1. Geluidssignalen

Het is verboden de geluidssignalen of oproepen van de brandweer, politie en andere hulpdiensten na te bootsen.

 

  • 2.4.2. Bedrieglijke oproepen

Iedere bedrieglijke hulpoproep of ieder bedrieglijk gebruik van een praatpaal of signalisatietoestel dat bestemd is om de veiligheid van de gebruikers te vrijwaren is verboden.

 

  • 2.4.3. Toegang tot onbezette gebouwen

De eigenaar moet gepaste feitelijke maatregelen nemen om de toegang tot onbezette gebouwen te verhinderen.

 

2.5. Bijzondere bepalingen die in acht dienen te worden genomen bij sneeuw of vrieskou

  • 2.5.1. Openbare weg en voetpaden

Het is verboden op de openbare weg:

  • bij vorst water te gieten of te laten vloeien;
  • glijbanen aan te leggen;
  • sneeuw of ijs te storten of te gooien dat afkomstig is van privé-eigendommen

Bij sneeuwval of bij ijzelvorming moeten de aangelanden van een openbare weg erover waken dat voor de eigendom die zij bewonen voldoende ruimte voor de doorgang van de voetgangers wordt schoongeveegd en dat het nodige wordt gedaan om de gladheid ervan te vermijden.

De sneeuw moet aan de rand van het voetpad opgehoopt worden en mag de weggebruikers niet hinderen. De rioolmonden en goten moeten vrij blijven.

 

  • 2.5.2.Kanalen, waterbekkens en waterlopen

Het is verboden zich op het ijs van de waterlopen en stilstaande waters te begeven.

Bij een voldoende ijsdikte kan de burgemeester op advies van de brandweerbevelhebber afwijking verlenen van dit verbod.

 

2.6 Ontspanningsactiviteiten en -plaatsen

De plaatsen die voor welbepaalde spelen of sporten voorbehouden zijn, mogen niet gebruikt worden voor andere spelen of sporten of voor andere doeleinden.

 

2.7. Verhuizingen

Geen verhuizing mag plaats hebben tussen 22 uur en 7 uur, behoudens een schriftelijke machtiging van de burgemeester.

 

3. DIVERSE BEPALINGEN

 

Worden bestraft met administratieve geldboetes zoals bepaald in artikel 4:

3.1.

Zij die nalaten de straten of doorgangen te reinigen.

 

3.2.

Zij die nalaten of weigeren gehoor te geven aan de aanmaning van de administratieve overheid om gebouwen die bouwvallig zijn, te herstellen of te slopen.

 

3.3. 

Zij die voorwerpen op het openbaar domein neerwerpen, plaatsen of achterlaten, die door hun val of door ongezonde uitwasemingen kunnen schaden.

 

3.4.

Zij die enig voorwerp op iemand werpen, dat hem kan hinderen of bevuilen of op welke manier dan ook schade kan veroorzaken.

 

3.5.

Het is de eigenaars, bezitters, bewakers of houders van dieren, verboden deze onbewaakt vrij te laten rondlopen op alle openbare wegen en alle voor het publiek toegankelijke plaatsen.

Honden dienen alleszins steeds aan de leiband gehouden te worden. (Deze laatste verplichting geldt niet voor honden die ingezet worden voor de jacht of voor reddingsoperaties.) De bewaking dient zodanig te zijn dat de begeleider, het dier op elk ogenblik kan beletten om personen of dieren te intimideren of lastig te vallen, voertuigen te bespringen of private eigendommen te betreden. Het is de personen die het dier niet in de hand kunnen houden, verboden deze te begeleiden.

Kwaadaardige, agressieve of gevaarlijke honden moeten gemuilkorfd worden door de begeleider, zodra ze op de openbare weg of op openbare plaatsen komen. Dit geldt niet voor honden van politiediensten en erkende bewakingsfirma’s.

De personen die een dier begeleiden op het openbaar domein moeten steeds in het bezit zijn van de nodige hulpmiddelen teneinde de door het dier achtergelaten secreties op het openbaar domein te kunnen verwijderen. Deze aan het dier aangepaste hulpmiddelen dienen op eenvoudig verzoek getoond te worden aan de personen die bevoegd zijn om inbreuken vast te stellen.

Begeleiders van dieren zijn verplicht om de uitwerpselen van deze dieren onmiddellijk te verwijderen. Indien de overtreder de uitwerpselen niet verwijderd, worden de kosten voor het opruimen en reinigen door de gemeentelijke diensten aan de overtreder aangerekend.

De toegang met honden is verboden tot openbare gebouwen, begraafplaatsen, gemeentelijke sporthallen, sportterreinen en zwembaden. Dit met uitzondering van visueel gehandicapten of mindervaliden met hun geleidehond, politiediensten en erkende bewakingsfirma’s met hun honden alsook personen belast met het africhten van geleidehonden bestemd voor visueel gehandicapten of andere mindervaliden en die daartoe een attest kunnen voorleggen.

Elke houder van een hond dient passende maatregelen te nemen om te beletten dat de hond zou ontsnappen van een privaat erf naar een ander privaat erf, naar een openbare plaats of naar een openbare weg.

 

3.6.

Zij die hun honden aanhitsen of niet terughouden wanneer deze de voorbijgangers aanvallen of vervolgen, zelfs als er geen kwaad of schade uit volgt.

 

3.7.

Zij die stenen of andere harde lichamen, of andere voorwerpen die kunnen bevuilen of beschadigen, tegen voertuigen, huizen, gebouwen afsluitingen van een ander of in tuinen en besloten erven werpen.

 

3.8.

Zij die, buiten de gevallen omschreven in boek II, titel IX, hoofdstuk III, van het strafwetboek, andermans roerende eigendommen opzettelijk beschadigen of vernielen.

 

3.9.

Zij die door onvoorzichtigheid of gebrek aan voorzorg onopzettelijk dezelfde schade veroorzaken door het behandelen of gebruiken van wapens of door het werpen van harde lichamen of van om het even welke stoffen.

 

3.10.

Zij die de openbare veiligheid in het gedrang brengen door ouderdom, bouwvalligheid, gebrek aan herstelling of onderhoud van huizen of gebouwen, of door een belemmering of een uitgraving of enig ander werk op of nabij openbare straten, wegen, pleinen of banen, zonder de voorgeschreven of gebruikelijke voorzorgsmaatregelen of waarschuwingstekens.

 

3.11.

Zij die wettig aangebrachte aanplakbiljetten aftrekken, of scheuren, of op enigerlei wijze onleesbaar maken.

 

3.12.

Zij die afsluitingen, uit welke materialen ook gemaakt, opzettelijk beschadigen.

 

3.13.

Zij die zich plichtig maken aan feitelijkheden of lichte gewelddaden, mits zij niemand gewond of geslagen hebben.

 

3.14.

Is verboden het aanbrengen en/of plaatsen van opschriften, affiches, beeld- en fotografische voorstellingen, vlugschriften en plakbriefjes op de openbare weg en op de bomen, aanplantingen, plakborden, voor- en zijgevels, muren, omheiningen, pijlers, palen, zuilen, bouwwerken, monumenten en andere langs de openbare weg of in de onmiddellijke nabijheid ervan liggende opstanden, op andere plaatsen dan die welke door de gemeenteoverheden voor aanplakking zijn bestemd, tenzij hiervoor schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen werd gegeven voor wat betreft het openbaar domein, of vooraf en schriftelijk werden vergund door de eigenaar of door de gebruiker, voor zover de eigenaar ook zijn akkoord schriftelijk en vooraf heeft gegeven.
Onverminderd de toepassing van een administratieve boete moet de overtreder de zaken onmiddellijk op orde brengen, zoniet houdt de gemeente zich het recht voor het te doen op kosten van de overtreder.

 

4. Afval

 

4.1

Het is verboden op de openbare weg of in het algemeen op de openbare ruimte afval te werpen hetzij achter te laten in en naast de vuilnisbakken of naast afvalcontainers.

 

4.2

Het is verboden op en langs de openbare weg en zijn aanhorigheden of in het algemeen de openbare ruimte bevuilende en/of verontreinigende materialen of vloeistoffen te storten of te gooien die schade kunnen berokkenen aan de openbare veiligheid, de hygiëne of de kwaliteit van het leefmilieu.

 

4.3

Iedereen die, op om het even welke wijze, de openbare weg of in het algemeen de openbare ruimte heeft bevuild of laten bevuilen, is verplicht deze dadelijk te reinigen.

 

4.4 Verbranding van materialen

  • 4.4.1 Onverminderd de bepalingen van het afvalstoffendecreet, het Veldwetboek en het bosdecreet is het verboden materialen te verbranden die hinderlijke rookgassen verspreiden, dit met uitzondering van de verbranding van onbehandeld, droog stukhout of steenkool. Deze bepaling geldt zowel voor verbranding van materialen in open lucht als via (hout)kachels, open haarden of zogenaamde allesbranders.
  • 4.4.2 De burgemeester kan na een gemotiveerde aanvraag schriftelijke toelating geven voor uitzonderingen op artikel 4.4.1, bijvoorbeeld om redenen van folkloristische of sociale aard, als fytosanitaire maatregel bij bedrijfslandbouwkundige werkzaamheden, in het kader van het beheer van bossen, natuur en landschappen.
    De burgemeester kan toelating geven, weigeren of voorwaarden opleggen betreffende de plaats of het tijdstip.
  • 4.4.3 Bij de vaststelling van de verspreiding van prikkelende of irriterende rookgassen dient de veroorzaker op eerste verzoek het vuur onmiddellijk te blussen indien deze niet over een toelating beschikt zoals omschreven in artikel 4.4.2. In voorkomend geval dient de toelating getoond te worden aan de toezichthouders.
    Er dient steeds een verantwoordelijke bij het vuur aanwezig te zijn, die waakt over brandveiligheidsvoorwaarden.
  • 4.4.4
  1. De gebruikers van de verbrandingsinstallaties met of zonder energiewinning die niet onderworpen zijn aan een voorafgaande vergunning zoals voorzien in Vlarem I, moeten ervoor zorg dragen dat daarmee geen luchtverontreiniging wordt veroorzaakt die de gezondheid kan schaden.
  2. Zij dienen tevens alle voorzorgen te treffen om de buurt niet te hinderen door geur,gas, damp, roet, stof en andere uitwasemingen.

 

5. SANCTIES

 

Inbreuken op deze artikelen zullen gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete, opgelegd door de hiertoe aangestelde ambtenaar conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet;

De omvang van de administratieve geldboete zal proportioneel zijn in functie van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en van eventuele herhaling. De boete zal ongeacht de omstandigheden alleszins het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

6. OPHEFFINGSBEPALINGEN

 

Alle artikelen van eerdere politieverordeningen die strijdig zijn met onderhavige politieverordening worden geacht te zijn opgeheven.

 

 

HERBERGEN

Politieverordening omtrent de brandveiligheid in horecazaken en gelijkaardige inrichtingen

 

HOOFDSTUK 1 – ALGEMEEN

 

Artikel 1. Doel

Deze verordening bepaalt de minimale eisen waaraan de opvatting, de bouw en de inrichting van horecazaken en gelijkaardige inrichtingen zoals bedoeld in artikel 2, toepassingsgebied, moeten voldoen om:

  • het ontstaan, de ontwikkeling en de voortplanting van brand te voorkomen;
  • de veiligheid van de aanwezigen te waarborgen;
  • preventief het ingrijpen van de brandweer te vergemakkelijken.

 

Artikel 2. Toepassingsgebied

Deze reglementering is van toepassing op alle horecazaken en gelijkaardige inrichtingen waar gelegenheid is tot consummatie van eten of drinken door bezoekers.

Onder horecazaken en gelijkaardige inrichtingen worden verstaan: zalen, parochiezalen, dansgelegenheden, cafés, restaurants, verbruikszalen, drankgelegenheden, tavernen, frituren, kantines, feestzalen, enz...

Onverminderd de voorschriften van andere reglementeringen die van toepassing kunnen zijn, zijn de bepalingen van deze verordening van toepassing op alle gebouwen, lokalen of plaatsen waar het publiek kosteloos, tegen betaling of op vertoon van een lidkaart toegang heeft.

Deze gebouwen, lokalen of plaatsen worden hierna aangeduid met de term “de inrichting”.

Deze bepalingen zijn evenwel niet van toepassing op de inrichtingen van tijdelijke aard zoals kermisinrichtingen, tenten en dergelijke.

 

Artikel 3. Terminologie

  • Artikel 3.1.

Voor de terminologie wordt verwezen naar bijlage 1 van het KB van 07.07.94 gewijzigd bij KB van 19.12.97 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

  • Artikel 3.2.

Onder netto-vloeroppervlakte van de inrichting wordt verstaan de oppervlakte toegankelijk voor het publiek, verminderd met de oppervlakte van de tapkasten, podiums, vestiaires en sanitair.

 

Artikel 4. Bepaling van het aantal toegelaten personen

Het aantal toegelaten personen wordt bepaald aan de hand van volgende criteria:

- de netto-vloeroppervlakte van de inrichting

- het aantal uitgangen

- de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen

 

  • Artikel 4.1. Op basis van de netto-vloeroppervlakte

Het aantal toegelaten personen bedraagt:

  • voor inrichtingen voorzien van tafels en stoelen (of ander los meubilair) 1,5 personen per m2 netto-vloeroppervlakte. Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;
  • voor inrichtingen zonder tafels of stoelen 3 personen per 1 m2 netto – vloeroppervlakte;
  • voor inrichtingen waar de bezoekers uitsluitend gebruik maken van zitplaatsen, zoals verbruiksalons en restaurants, is het toegelaten aantal aanwezigen gelijk aan het aantal zitplaatsen;
  • voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen minder dan 20 m² bedraagt, wordt het maximaal aantal toegelaten aanwezigen vastgesteld op 1,5 personen per 1 m2 voor de totale nettovloeroppervlakte.

Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond;

  • - voor inrichtingen voor gemengd gebruik, waarbij het gedeelte zonder tafels en stoelen meer dan 20 m² bedraagt, wordt het maximaal aantal toegelaten aanwezigen vastgesteld op 3 personen per 1 m2 voor het gedeelte zonder tafels en stoelen en 1,5 personen per 1 m2 voor het gedeelte met tafels en stoelen. Dit aantal wordt naar het juist hoger geheel getal afgerond.

 

  • Artikel 4.2. Op basis van het aantal uitgangen

Het aantal toegelaten personen is kleiner of gelijk aan de bezetting die, overeenkomstig artikel 8.1 van dit reglement , overeenstemt met het aantal uitgangen.

 

  • Artikel 4.3. Op basis van de nuttige breedte van uitgangen en evacuatiewegen

De uitgangswegen, uitgangen en deuren moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan het aantal personen die ze moeten gebruiken om de uitgangen van het gebouw te bereiken.

De trappen moeten een totale nuttige breedte hebben die tenminste gelijk is, in centimeters, aan dat getal vermenigvuldigd met 1,25 indien ze afdalen naar de uitgang en vermenigvuldigd met 2 indien ze ernaar opstijgen.

De nuttige breedte van een uitgang of evacuatieweg bedraagt tenminste 0,8m. De vrije hoogte moet minstens 2m bedragen.

 

  • Artikel 4.4.

Het kleinste getal uit voorgaande berekeningen wordt aangenomen als het maximum aantal toegelaten personen tot de inrichting.

Het maximaal aantal toegelaten personen wordt expliciet vermeld in de exploitatievergunning.

Het maximum aantal toegelaten personen moet in elke inrichting worden aangeduid op een bordje dat, duidelijk leesbaar en goed zichtbaar, bij de ingang(en) wordt aangebracht.

De exploitant en eventuele organisatoren zullen maatregelen (oa. beperking aantal toegangskaarten, telsysteem, ...) nemen om overschrijding van dit aantal te voorkomen.

Het aantal toegelaten personen moet eveneens uitdrukkelijk vermeld worden in de verhuurcontracten.

 

Artikel 5. Procedure

Bij elke wijziging van exploitatie of exploitant, bij transformatie- of renovatiewerken, vernieuwing van de binneninrichting, bij wijziging van de netto-vloeroppervlakte, bij bestemmingswijziging en bij elke wijziging die de brandveiligheid kan beïnvloeden, dient voorafgaandelijk een brandveiligheidsverslag aangevraagd bij de Burgemeester.

De aanvraag voor het brandveiligheidsverslag moet minstens 4 weken voor de openingsdatum schriftelijk bij de burgemeester ingediend worden.

Het openhouden, openen of heropenen van inrichtingen vermeld onder artikel 2 van deze reglementering is onderworpen aan een exploitatievergunning af te leveren door de burgemeester, na advies van de brandweer. Deze toelating is steeds herzienbaar.

 

HOOFDSTUK 2 - INPLANTING EN TOEGANGSWEGEN

 

Artikel 6

  • Artikel 6.1

De toegangswegen tot de inrichting worden bepaald in akkoord met de brandweer volgens de leidraad van de basisnormen.

 

  • Artikel 6.2

Bijgebouwen, uitspringende daken, luifels, uitkragende delen of andere dergelijke toevoegingen zijn enkel toegelaten indien daardoor noch de evacuatie, noch de veiligheid van de personen, noch de actie van de brandweer in het gedrang komen.

 

HOOFDSTUK 3 - COMPARTIMENTERING EN EVACUATIE

 

Artikel 7. Algemeen

De inrichting vormt minstens één compartiment.

In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kan door de brandweer het aantal compartimenten verhoogd worden.

De inrichting dient gecompartimenteerd te zijn van woongedeelten met overnachtingsmogelijkheden, ongeacht deze in gebruik zijn door de uitbater en/of door derden.

 

Artikel 8. Evacuatie van de compartimenten

  • Artikel 8.1. Aantal uitgangen

Elk compartiment heeft minimum:

  • één uitgang indien de maximale bezetting minder dan 100 personen bedraagt;
  • twee uitgangen indien de maximale bezetting 100 of meer dan 100 en minder dan 500 personen bedraagt;
  • 2 + n uitgangen waarbij "n" het geheel getal is onmiddellijk groter dan de deling door 1000 van de maximale bezetting van het compartiment, indien de bezetting 500 of meer dan 500 personen bedraagt.

Het minimum aantal uitgangen kan door de brandweer verhoogd worden in functie van de maximale bezetting en/of de configuratie van de lokalen.

Het aantal uitgangen van bouwlagen en lokalen wordt bepaald zoals voor de compartimenten.

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor de exploitant mag een uitgang van de inrichting ook dienst doen als uitgang van dit privé gedeelte.

Indien een deel van het gebouw waarin de inrichting is gelegen gebruikt wordt als privé lokalen voor derden, is voor dit gedeelte een afzonderlijke uitgang vereist.

 

  • Artikel 8.2. De uitgangen

De uitgangen zijn zoveel mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.

De evacuatiewegen moeten zodanig verdeeld zijn dat ze onafhankelijk van elkaar uitkomen op de openbare weg of op een voldoende grote vrije ruimte om zich veilig van het gebouw te kunnen verwijderen. De aanwezigen moeten het gebouw snel en veilig kunnen ontruimen.

 

HOOFDSTUK 4 - VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE BOUWELEMENTEN

 

Artikel 9. Structurele elementen

De structurele elementen (kolommen, dragende wanden, balken, vloeren,…) van de inrichting dienen een weerstand tegen brand te bezitten overeenkomstig onderstaande tabel.

Indien de inrichting deel uitmaakt van een groter geheel dienen de structurele elementen van de onderliggende bouwlagen eveneens te voldoen aan de gestelde eisen.

 

  • structuur van het gebouw

 

 

aantal bouwlagen

bovengrondse structuur

dakstructuur

ondergrondse structuur **

1

n.v.t.

n.v.t.

1 h

2/3

1/2 h

1/2 h*

1 h

>3

1 h

1/2 h*

1 h

 

* Dit voorschrift is niet van toepassing indien het dak aan de binnenkant beschermd is door een bouwelement met weerstand tegen brand 1/2 h.

** Met inbegrip van de vloer van het laagste evacuatieniveau.

 

De brandweer kan bijkomende eisen stellen aan de weerstand tegen brand van de structurele elementen.

 

Artikel 10. Plafonds en valse plafonds ( bij vernieuwing)

  • Artikel 10.1.

In de evacuatiewegen en in de voor het publiek toegankelijke lokalen hebben de valse plafonds een stabiliteit bij brand van 1/2 h.

 

  • Artikel 10.2.

De ruimte tussen het plafond en het vals plafond wordt onderbroken door de verlenging van alle verticale wanden die ten minste een weerstand tegen brand 1/2 h bezitten.

 

HOOFDSTUK 5 - VOORSCHRIFTEN INZAKE CONSTRUCTIE VAN COMPARTIMENTEN EN EVACUATIEWEGEN

 

Artikel 11. Compartimenten

  • Artikel 11.1.

De wanden tussen compartimenten hebben ten minste de brandweerstand van de structurele elementen met een minimum van 1/2h. De verbindingsdeuren zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben Rf 1/2h.

 

  • Artikel 11.2.

De inrichting moet van de woongedeelten met overnachting, gebruikt door de uitbater of door derden, gescheiden zijn door wanden, plafonds, vloeren met ten minste de brandweerstand van de structurele elementen, met een minimum van 1/2h.

De verbindingsdeuren zijn zelfsluitend of zelfsluitend bij brand en hebben Rf 1/2h.

 

Artikel 12. Trappen

  • Artikel 12.1. Trappenhuizen

De trappen die verscheidene compartimenten verbinden zijn omsloten.

De binnenwanden van de trappenhuizen hebben minstens de vereiste Rf van de structurele elementen.

Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze openingen over tenminste 1 m zijdelings afgezet zijn met een element dat een vlamdichtheid heeft van 1/2h.

De trappenhuizen moeten toegang geven tot een evacuatieniveau.

Op iedere bouwlaag wordt de verbinding tussen het compartiment en het trappenhuis verzekerd door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur met Rf 1/2h die opendraait in de vluchtzin.

Op een evacuatieniveau leidt iedere trap naar buiten, hetzij rechtstreeks, hetzij via een evacuatieweg die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 13.

De nieuw te bouwen trappen gelegen in een trappenhuis bezitten evenals de overlopen een stabiliteit bij brand van 1/2 h of zijn van dezelfde opvatting van constructie als een betonplaat met een weerstand tegen brand 1/2 h.

Bovenaan de trappenhuizen moeten rookluiken met een doorsnede van minimum 1 m² aangebracht worden, te bedienen van op het gelijkvloers.

 

  • Artikel 12.2. Trappen

De trappen van de inrichting hebben de volgende kenmerken:

  1. zij zijn aan beide zijden uitgerust met leuningen. Voor de trappen met een nuttige breedte, kleiner dan 1,20 m, is één leuning voldoende, voor zover er geen gevaar is voor het vallen;
  2. de aantrede van de treden is in elk punt tenminste 0,20 m;
  3. de optrede van de treden mag niet meer dan 18 cm bedragen;
  4. hun helling mag niet meer dan 75% bedragen (maximaal hellingshoek 37°);
  5. zij zijn van het “rechte" type. Maar “wenteltrappen” worden toegestaan zo ze verdreven treden hebben en zo hun treden, naast de vereisten van voorgaande punten, ten minste 24 cm aantrede hebben op de looplijn. De minimum aantrede over de gehele trapbreedte bedraagt minstens 0,20 m;
  6. de treden moeten slipvrij zijn;

 

Artikel 13. Evacuatiewegen en vluchtterrassen

  • Artikel 13.1.

De binnenwanden van de evacuatiewegen hebben minstens de weerstand tegen brand van de structurele elementen.

Hun buitenwanden mogen beglaasd zijn indien deze beglaasde delen minimum 1 m verwijderd zijn van beglaasde delen van andere buitenwanden. 

 

  • Artikel 13.2.

De deuren in de evacuatiewegen mogen geen vergrendeling bezitten die de evacuatie kan belemmeren.

De af te leggen afstand van op elk punt van de inrichting of compartiment tot aan de dichtstbijzijnde uitgang bedraagt maximaal 30 m.

Indien de uitgang uitgeeft op een evacuatieweg bedraagt de maximale af te leggen weg 45 m tot in de open lucht of tot het dichtstbijzijnde trappenhuis.

De lengte van doodlopende evacuatiewegen mag niet meer dan 15 m bedragen.

In functie van de bezetting en de configuratie van de inrichting kunnen door de brandweer deze maximaal af te leggen afstanden gereduceerd worden.

De uitgangen zijn zoveel als mogelijk gelegen in tegenovergestelde zones van het compartiment.

Op een evacuatieniveau mogen geen uitstalramen van bouwdelen met een commerciële functie, die geen weerstand tegen brand van 1/2 h hebben, uitgeven op de evacuatieweg die de uitgangen van andere bouwdelen verbindt met de openbare weg, met uitzondering van de laatste 3 m van deze evacuatieweg.

 

  • Artikel 13.3.

De borstweringen aan de overlopen van de trappen en de bordessen moeten minstens 100 cm hoog zijn. Bij nieuwbouw of vernieuwing moeten de borstweringen 120 cm hoog zijn. Het geheel van de borstwering en de trapleuning moet zo ontworpen worden dat er nergens een opening is waar een bol met een middellijn van 100 mm door kan.

 

  • Artikel 13.4. Draaizin van uitgangsdeuren

De deuren die gelegen zijn in de evacuatiewegen kunnen gemakkelijk geopend worden en draaien in de richting van de uitgang ofwel in beide richtingen.

  • Voor inrichtingen waarvan de capaciteit maximum 49 personen bedraagt, mag de deur naar binnen draaien.
  • Voor inrichtingen met een capaciteit van meer dan 49 en minder dan 100 personen moet ten minste één uitgangsdeur in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.
  • Voor inrichtingen met een capaciteit vanaf 100 personen moeten alle uitgangsdeuren in beide richtingen ofwel in de richting van de uitgang opendraaien.

De buitendeuren welke rechtstreeks op de openbare weg uitgeven, mogen niet buiten de rooilijn komen. Indien deze deuren noodzakelijkerwijze naar binnen draaien dienen zij te kunnen openslaan tegen een vast gedeelte van het gebouw en er stevig aan bevestigd worden.

Gedurende de openingsuren zijn deze deuren in geopende stand vastgezet.

Draaideuren (molen) en draaipaaltjes zijn in de evacuatiewegen en uitgangen verboden.

Het gebruik van sleutelkastjes is verboden.

 

  • Artikel 13.5.

Het publiek moet alle uitgangen kunnen gebruiken.

 

  • Artikel 13.6.

Het is verboden om het even welke voorwerpen die de doorgangen kunnen belemmeren, te plaatsen in de uitgangen en wegen die ernaartoe leiden of de nuttige breedte ervan verminderen.

Glazen wanden en de vleugels van glazen deuren moeten op zichthoogte een opvallend merkteken dragen.

 

  • Artikel 13.7.

De aanduiding van de uitgangen en nooduitgangen dient te voldoen aan de bepalingen betreffende de veiligheids- en gezondheidssignalering op het werk. Deze pictogrammen moeten vanuit alle hoeken van de inrichting goed zichtbaar zijn. De

pictogrammen moeten verlicht worden door de normale verlichting en door de veiligheidsverlichting.

 

  • Artikel 13.8.

Deuren die niet op een uitgang uitgeven, moeten voorzien worden van een goed leesbaar opschrift ‘geen uitgang’ of een gelijkwaardig pictogram.

 

HOOFDSTUK 6 VOORSCHRIFTEN VOOR SOMMIGE LOKALEN EN TECHNISCHE RUIMTEN

 

Artikel 14. Technische lokalen en ruimten

  • Artikel 14.1. Algemeen

Een technisch lokaal of een geheel van technische lokalen vormt minstens één compartiment.

 

  • Artikel 14.2. Stookplaatsen

De wanden van de stookplaats en de brandstofopslagplaats gelegen in de inrichting of welke deel uitmaken van de inrichting moeten een weerstand tegen brand bezitten van één uur (Rf 1h). De binnentoegangsdeuren van de stookplaats en de brandstofopslagplaats moeten een weerstand tegen brand hebben van een half uur (Rf 1/2h) en zijn zelfsluitend.

De stookketel van de centrale verwarmingsinstallatie en de niet ingegraven brandstofopslagplaatsen zijn elk in afzonderlijke, uitsluitend daartoe bestemde, goed verluchte lokalen geïnstalleerd..

De brandstofopslagplaatsen voor vloeibare brandstoffen moeten voorzien zijn van een oliedichte inkuiping.

Verwarmingsinstallaties gevoed met gas dienen niet in een stookplaats ondergebracht, voor zover de verwarmingsinstallaties een vermogen hebben van minder dan 70 kW.

 

  • Artikel 14.3. Verwarmingsinstallaties

De verwarmingsinstallaties beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen. Ze worden geplaatst volgens de code van goed vakmanschap en zijn steeds in goede staat van werking en onderhoud, zodat ze een voldoende veiligheid verzekeren.

Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten en installaties met brandbaar gas in verplaatsbare recipiënten zijn verboden, voor zover geplaatst in het gebouw.

De verwarmingstoestellen, behalve de elektrische toestellen en de luchtdichte gastoestellen met gevelafvoer, zijn verbonden met een schoorsteen die de rook afvoert.

Buitenverwarmingstoestellen (o.a. voor terrassen) moeten op een voldoende afstand van brandbare stoffen en materialen opgesteld staan of er zodanig van afgezonderd zijn dat brandgevaar of aanraking voorkomen wordt.

Deze toestellen moeten vast opgesteld zijn en mogen de ontruiming niet belemmeren.

 

  • Artikel 14.4. Gastoevoer

Wanneer het gebouw waarin de inrichting gelegen is een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop tenminste één handbediende en gemakkelijk bereikbare afsluitkraan aangebracht zijn. Deze wordt voorzien in het gebouw bij het begin van de leiding en is behoorlijk aangeduid.

De gasmeter wordt in een goed verlucht lokaal geplaatst. De gasleidingen zijn geel geschilderd.

Butaan- en propaangas in flessen, evenals de lege flessen, moeten in de open lucht worden ondergebracht.

De voedingsleidingen naar de verbruikstoestellen zijn vast met eventuele uitzondering van het laatste deel van de leiding.

 

  • Artikel 14.5. Warme luchtverwarming
    • Artikel 14.5.1. Bij warme luchtverwarming moeten de luchtkanalen uit niet-brandbaar materiaal vervaardigd zijn en moet de handbediening van de generator buiten de stookplaats aangebracht worden. Deze handbediening moet op een centrale plaats gesitueerd zijn.
    • Artikel 14.5.2. Bij herinrichting van de stookplaatsen met warmeluchtgeneratoren of ten laatste binnen een termijn van 10 jaar na datum van goedkeuring, moeten brandwerende kleppen met een weerstand tegen brand van één uur geplaatst worden in de luchtkanalen ter hoogte van de wanden van de stookplaats.

 

  • Artikel 15. Keukens

De keukens worden van de andere gebouwdelen gescheiden door wanden met Rf 1h.

Elke doorgang of doorgeefluik wordt afgesloten door een zelfsluitende of bij brand zelfsluitende deur of luik met Rf 1/2h. Deze deuren draaien open in de vluchtrichting.

De keuken dient niet gecompartimenteerd ten opzichte van het voor publiek toegankelijke gedeelte indien de (vaste) frituurtoestellen (met een gezamenlijke olie-inhoud van meer dan 8 liter) voorzien worden van een vaste automatische blusinstallatie die tevens de energietoevoer automatisch onderbreekt.

Kooktoestellen en maaltijdverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.

De bepalingen van §1 en §2 zijn niet van toepassing op inrichtingen die in hoofdzaak als afhaalinrichting bestemd zijn.

 

HOOFDSTUK 7 - UITRUSTING VAN DE GEBOUWEN

 

Artikel 16. Elektrische laagspanningsinstallaties voor drijfkracht, verlichting en signalisatie

  • Artikel 16.1.

Zij voldoen aan de voorschriften van de geldende wettelijke en reglementaire teksten, evenals aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI)

 

  • Artikel 16.2. Veiligheidsverlichting

De evacuatiewegen, de lokalen toegankelijk voor het publiek, de keuken en de voornaamste stroomborden moeten voorzien worden van een degelijke veiligheidsverlichting die een voldoende lichtsterkte heeft om een gebouw veilig te ontruimen;

De veiligheidsverlichting moet automatisch en onmiddellijk in werking treden bij het uitvallen van de gewone verlichting; zij moet minstens één uur zonder onderbreking kunnen functioneren.

De veiligheidsverlichting moet minstens een lichtsterkte hebben van 1 lux ter hoogte van de grond in de as van de vluchtweg en 5 lux op gevaarlijke plaatsen.

 

Artikel 17. Installaties voor brandbaar gas

Deze installaties voldoen aan de reglementaire voorschriften en de regels van goed

vakmanschap.

 

Artikel 18. Installaties voor melding, waarschuwing en alarmering

  • Artikel 18.1. De inrichtingen in uitbating moeten uitgerust zijn met een gemakkelijk te bereiken telefoontoestel. Naast het toestel moeten de oproepnummers van de hulpdiensten aangebracht worden.
  • Artikel 18.2. Afhankelijk van de grootte, de bezetting en de configuratie van de inrichting (verdiepingen, meerdere lokalen, …) kan door de bevoegde brandweerdienst een alarminstallatie en/of een algemene automatische branddetectie-installatie opgelegd worden.

 

Artikel 19. Brandbestrijdingsmiddelen

  • Artikel 19.1. De brandweer bepaalt de blusmiddelen in functie van de aard en de omvang van het gevaar.
  • Artikel 19.2. Het personeel moet duidelijke instructies ontvangen hebben over de taakverdeling bij brand en over het gebruik van de brandbestrijdingsmiddelen.
  • Artikel 19.3. Het brandbestrijdingsmateriaal moet goed onderhouden worden, beschermd zijn tegen vorst, doelmatig gesignaleerd, gemakkelijk bereikbaar en oordeelkundig verdeeld. Het moet steeds onmiddellijk in werking kunnen gesteld worden.
  • Artikel 19.4. De vuilnisbakken moeten van het zelfdovende type zijn.

 

Artikel 20. Andere technische installaties (verluchting, R.W.A.-installaties, ... )

In functie van de risico's kan de bevoegde brandweerdienst bijkomende eisen opleggen voor andere technische installaties.

 

HOOFDSTUK 8 - ONDERHOUD EN PERIODIEKE CONTROLE

 

Artikel 21. Algemeen

De technische uitrusting van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De uitbater laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek de nodige keuringen, onderzoekingen en controles uitvoeren. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, worden in een dossier ingeschreven en bijgehouden. Dit dossier wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde (zie artikel 34).

 

Artikel 22. Liften en goederenliften

Personenliften moeten driemaandelijks gecontroleerd worden door een erkend organisme.

Goederenliften moeten jaarlijks gecontroleerd worden door een erkend organisme.

 

Artikel 23. Elektrische installatie, veiligheidsverlichting, branddetectie-installatie en alarm

De elektrische installatie wordt om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend organisme.

De veiligheidsverlichting, de algemene automatische brandmeldinstallaties en het alarm worden jaarlijks gecontroleerd worden door een erkend organisme.

 

Artikel 24. Installaties voor verwarming en klimaatregeling

Onverminderd de bepalingen van het KB van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, worden jaarlijks de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling nagezien door een bevoegde technicus.

De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden en jaarlijks gecontroleerd door een bevoegd persoon.

 

Artikel 25. Installaties gevoed met brandbaar gas

De gasinstallatie wordt voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend organisme.

Jaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een bevoegd installateur.

 

Artikel 26. Brandbestrijdingstoestellen

De uitbater draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingstoestellen jaarlijks nagezien enonderhouden worden door een bevoegd persoon.

 

Artikel 27. Filters en kokers van dampkappen

De uitbater draagt er zorg voor dat de filters en kokers van dampkappen regelmatig nagezien en onderhouden worden.

 

Artikel 28. Deuren en verluchtingsopeningen

De uitbater draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen voorzien in onderhavige verordening jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

 

HOOFDSTUK 9 - BEKLEDINGSMATERIALEN

 

Artikel 29

Gemakkelijk brandbare materialen, zoals karton, doeken, rietmatten en kunststoffen mogen niet als wand- of plafondbekleding of als versiering aangebracht worden.

Bij herinrichting moeten bekledingsmaterialen van vloeren, wanden en plafonds respectievelijk van klasse A3, A2 en A1 zijn, overeenkomstig bijlage 5 van het KB van 07.07.1994 omtrent de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen. De bekledingsmaterialen van zitbanken en overgordijnen moeten van klasse A2 zijn.

Volle, hardhouten parketvloeren die op een betonnen ondervloer aangebracht zijn, worden als A3 gerangschikt. Dit zijn onder andere eik, beuk, es, tropische houtsoorten, ...

 

HOOFDSTUK 10 - UITBATINGSVOORSCHRIFTEN

 

Artikel 30. Algemeen

Buiten hetgeen voorzien is door onderhavige verordening, neemt de uitbater alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffing.

De uitbater zal het publiek niet toelaten tot de inrichting dan na zich dagelijks ervan te hebben vergewist dat aan de voorschriften van deze verordening voldaan is.

 

Artikel 31. Relatie uitbater-organisator

De uitbater ziet erop toe dat de bepalingen van deze verordening worden nageleefd door alle organisatoren die in zijn lokaal/uitbating een feestactiviteit laten plaatsvinden.

 

Artikel 32. Voorlichting van het personeel en de gasten inzake brandpreventie

De verantwoordelijke en het personeel van de inrichting moeten op de hoogte zijn van de gevaren die zich bij brand in de inrichting kunnen voordoen. In het bijzonder dienen zij over voldoende kennis te beschikken in verband met:

  • de detectie en het alarm;
  • de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;
  • het bestaan en de werking van de brandbestrijdingsmiddelen.

 

Artikel 33. Plannen (facultatief)

Aan de ingang moet een plan van de inrichting aanwezig zijn, bedoeld om de hulpdiensten in te lichten, dat de plaats aanduidt van :

  • de trappen en de evacuatiewegen;
  • de beschikbare brandbestrijdingsmiddelen;
  • in voorkomend geval, het stopmechanisme van het ventilatiesysteem;
  • in voorkomend geval, het overzichtsbord van het detectie- en alarmsysteem;
  • de stookplaatsen;

 

Artikel 34. Veiligheidsregister

In elke inrichting dient een veiligheidsregister ter inzage te liggen voor de bevoegde personen.

Dit register bevat informatie over veiligheidsvoorschriften en vergunningen:

  • exploitatievergunning;
  • verslagen van de periodieke controles (artikel 21);
  • verzekeringspolis en attest burgerrechterlijke aansprakelijkheidsverzekering tegen brand en ontploffing (KB. van 28 februari 1990)

 

Artikel 35

De exploitant zal te allen tijde tot de inrichting toelating verlenen aan de burgemeester en de bevoegde ambtenaren.

Op hun vraag is de eigenaar en/of exploitant verplicht een door hem ondertekende beschrijving van de samenstelling van de materialen en bouwelementen te geven en het bewijs te leveren dat aan de voorschriften is voldaan.

 

HOOFDSTUK 11 - SANCTIES

 

Artikel 37. Sancties

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op:

  • artikels 4.2, 4.3 (maximaal aantal toegelaten personen);
  • artikel 5 (procedure);
  • artikels 6.1, 6.2 (bereikbaarheid);
  • artikels 7, 11 (compartimentering);
  • artikel 8 (evacuatie);
  • artikels 9, 10 (bouwelementen);
  • artikels 12, 13.1, 13.2, 13.3, 13.4, 13.5, 13.6 (trappenhuizen en evacuatiewegen);
  • artikels 14, 15 (verwarming, keuken);
  • artikel 16, 17, 18, 19, 20 (uitrusting);
  • artikel 29 (bekledingsmaterialen/versieringen);

gesanctioneerd met de administratieve sluiting van de lokalen, overeenkomstig artikel 119 bis nieuwe gemeentewet.

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op :

  • artikel 4.4 (maximaal aantal toegelaten personen);
  • artikel 13.7, 13.8 (aanduiding uitgangen);
  • artikels 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28 (onderhoud, periodieke controle )
  • artikels 30, 31, 32, 33, 34, 35 (uitbating)

gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete, de omvang van de administratieve geldboete zal proportioneel zijn in functie van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en van eventuele herhaling. De boete zal ongeacht de omstandigheden alleszins het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

HOOFDSTUK 13 - SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 39. Afwijkingen

Onverminderd de bepalingen van het A.R.A.B. of andere wettelijke bepalingen, kan de burgemeester, indien het onmogelijk is te voldoen aan één of meerdere vereisten van deze reglementering en na raadpleging van de betrokken diensten, afwijkingen toestaan. Hij kan onder dezelfde voorwaarden bijkomende maatregelen voorschrijven of de sluiting bevelen.

De vraag tot het bekomen van een afwijking, in te dienen bij de burgemeester, dient duidelijk gemotiveerd te zijn. Gedetailleerde plannen, een verklarende nota en de voorgestelde bijkomende veiligheidsmaatregelen, dienen bijgevoegd.

Alternatieve oplossingen moeten een veiligheidsniveau bieden dat tenminste gelijk is aan het niveau vereist in de voorschriften.

 

Artikel 40

Onverminderd de artikelen 37 en 38 blijft de burgemeester zijn algemene bevoegdheid behouden overeenkomstig artikel 135 van de nieuwe gemeentewet.

 

 

SPORT

Politieverordening op extreem ontspanningsevenement

 

Elke activiteit en elke dienstverlening, die ernstige risico’s inhoudt voor de uitvoerder, c.q. gebruiker (consument) zijn verboden, behoudens wanneer het kan beschouwd worden als een extreem ontspanningsevenement, zoals bedoeld is in het K.B. van 04.03.2002 en de activiteit voldoet aan de verplichtingen van dit K.B. en de bepalingen van de veiligheidsgids nr. 2.

Voor de activiteiten, die onder toepassing van gemeld K.B. vallen, is er een meldingsplicht (middels een meldingsformulier) met de bedoeling om :

  • de organisator formeel te wijzen op de bepalingen van dit K.B., incl. de veiligheidsgids nr. 2;
  • de stad te vrijwaren voor alle mogelijke schadeaanspraken van derden, zowel in hoofdsom, intresten (contractueel vrijwaringsbeding).als kosten, uit hoofde van schade geleden ten gevolge van tekortkomingen in hoofde van de organisator, daar waar het stadsbestuur aangesproken wordt in het kader van de verplichtingen, haar opgelegd door o.m. de gemeentewet, art. 135

 

De burgemeester, zijn afgevaardigde, zijn plaatsvervanger, het personeel van de Dienst Evenementen en de leden van de lokale politie zijn bevoegd om controle en toezicht te houden op het uitvoeren van de bepalingen van deze verordeningen, voorla om controle uit te oefenen op de naleving van het K.B. van 04.03.2002 en de veiligheidsgids nr. 2. De organisator moet op de eerste vraag alle nodige attesten en documenten kunnen voorleggen.

Inbreuken op deze artikelen zullen gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete, opgelegd door de hiertoe aangestelde ambtenaar. De omvang van de administratieve geldboete zal proportioneel zijn in functie van de ernst van de inbreuk die de boete verantwoordt en van eventuele herhaling. De boete zal ongeacht de omstandigheden alleszins het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

 

VERBLIJFPLAATS VAN PERSONEN

Politieverordening op de vaststelling van de verblijfplaats van personen en de wijze van onderzoek

 

Artikel 1

Het onderzoek naar de werkelijke verblijfplaats van een persoon of personen wordt uitgevoerd:

  • ofwel door de agenten van de gemeentelijke politie die hiervoor aangesteld worden door de korpsoverste;
  • ofwel door de beambten hiertoe aangesteld door het schepencollege;

Het onderzoek wordt verricht volgens de modaliteiten bepaald in artikel 3 van de verordening.

De gemachtigde beambte is drager van een legitimatiebewijs.

 

Artikel 2

Dit onderzoek moet gebeuren:

  • wanneer de persoon (personen) verklaard heeft (hebben) zijn (hun) hoofdverblijfplaats te willen vestigen op het grondgebied van de gemeente;
  • wanneer personen hun hoofdverblijfplaats in de gemeente hebben gevestigd zonder hiervan aangifte te doen;
  • wanneer personen hun hoofdverblijfplaats hebben gewijzigd binnen het grondgebied van de gemeente zonder hiervan aangifte te doen;
  • wanneer personen hun verblijfplaats hebben verlaten zonder hiervan aangifte te doen;
  • wanneer personen hun hoofdverblijfplaats hebben gewijzigd binnen het grondgebied van de gemeente;

 

Artikel 3

Het onderzoek moet ter plaatse gebeuren zoals bepaald in artikel 7 van het K.B. van 16.07.1992. De ingewonnen inlichtingen over de verblijfplaats worden in een gedagtekend en ondertekend verslag overgemaakt aan de ambtenaar van de burgerlijke stand.

 

Artikel 4

Wanneer uit het verslag van de gemachtigde beambte blijkt dat de persoon (personen) zijn (hun) woonplaats heeft (hebben) overgebracht naar een andere Belgische gemeente, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand de nieuwe gemeente hiervan in kennis zoals bepaald in artikel 8, alinea 5 van het K.B. van 16.07.1992.

 

Artikel 5

Wanneer uit het verslag van de gemachtigde beambte blijkt, dat de persoon (personen) zijn (hun) woonplaats heeft (hebben) verlaten en de nieuwe hoofdverblijfplaats onbekend is of in het buitenland gevestigd is, stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand een administratief verslag op met het oog op een ambtshalve afvoering uit de registers door het College van Burgemeester en Schepenen, zoals bepaald in artikel 8, alinea 2 en 3 van het K.B. van

16.07.1992.

 

Artikel 6

Wanneer uit het verslag van de gemachtigde beambte blijkt dat de persoon (personen) zijn (hun) verblijfplaats gewijzigd heeft (hebben) binnen het grondgebied van de gemeente, zonder het gemeentebestuur hiervan in kennis te stellen, wordt de hiernavolgende procedure toegepast :

  • De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt een administratief verslag op aan de hand van het onderzoek van de gemachtigde beambte.
  • Dit verslag wordt aan de betrokken persoon of de referentiepersoon van het gezin overgemaakt.
  • De betrokken persoon of de referentiepersoon van het gezin wordt er tegelijkertijd van in kennis gesteld dat hij, samen met de andere leden van het gezin, bij besluit van het college van burgemeester en schepenen, dd….van ambtswege zal ingeschreven worden, tenzij hij binnen de 14 (veertien) dagen bezwaar indient tegen het verslag van de ambtenaar van de burgerlijke stand, of binnen deze termijn aangifte doet van de verblijfsverandering. Dit bezwaar moet schriftelijk en met redenen omkleed ingediend worden.
  • Wanneer de persoon (personen) geen bezwaarschrift heeft (hebben) ingediend, of geen aangifte heeft (hebben) gedaan van verblijfplaats, binnen de gestelde termijn, wordt (worden) betrokkene(n) van ambtswege ingeschreven in de registers, door een besluit van het college van burgemeester en schepenen zoals bepaald in artikel 9, alinea 4 van het K.B. van 16.07.1992.
  • De betrokkene of de referentiepersoon van het gezin wordt in kennis gesteld van dit besluit.

 

Wanneer uit het verslag van de gemachtigde beambte of de politie blijkt dat de persoon (personen) zijn (hun) hoofdverblijfplaats heeft (hebben) gevestigd op het grondgebied van de gemeente, zonder ingeschreven te zijn in de registers, wordt deze of de referentiepersoon van het gezin, overeenkomstig artikel 9 van het K.B. van 16.07.1992, verzocht zich binnen de acht dagen in regel te stellen.

Wanneer de betrokken persoon of de referentiepersoon van het gezin, geen gevolg geeft aan dit verzoek, wordt dezelfde procedure toegepast zoals bepaald in artikel 6c, om over te gaan tot een inschrijving van ambtswege.

 

Artikel 8

De personen die geen gevolg hebben gegeven aan de beslissingen genomen ingevolge de artikelen 6 en 7 van deze verordeningen en deze die in overtreding zijn met de artikelen 1 tot 14 van het K.B. van 16.07.1992, kunnen gestraft worden met geldboetes bepaald in artikel 23 van het voormeld koninklijk besluit.

 

 

PARKEREN

Politieverordening op het parkeren

 

Artikel 1

Overtredingen van de reglementen van de politie op het wegverkeer, uitgevaardigd op grond van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 en opgenomen in het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, omschreven als parkeren met beperkte parkeertijd onder artikel 27.5, beurtelings parkeren onder artikel 26, de blauwe zone onder de artikels 27.1 en 27.2 en tenslotte het kort parkeren onder artikel 5 aangeduid met het verkeersbord E9 met onderbord dat de specifieke parkeerregeling op een bepaalde plaats van toepassing weergeeft, worden bestraft met een administratieve geldboete van maximum € 250,00.

 

Bijzondere politieverordening

 

FESTIVITEITEN

Politieverordening houdende maatregelen ter gelegenheid van de manifestatie ‘Genk On Stage’.

 

Artikel 1

Jaarlijks wordt tijdens de donderdag, vrijdag, zaterdag, zondag en maandag van het laatste weekend van juni de manifestatie Genk On Stage georganiseerd in het centrum.

 

Artikel 2. Standplaatsen markten, straten en pleinen.

  1. Aanvragen tot het bekomen van een vergunning voor het inrichten van een standplaats dienen gericht aan de burgemeester.
  2. Het is voor iedereen, ook voor de gevestigde handelaars die met hun vestiging niet rechtsreeks aan de openbare weg grenzen, verboden buiten de toegewezen standplaatsen daden van kopen of verkopen te stellen binnen de straten en pleinen, zoals hoger beschreven.
  3. De waren dienen in de straten zo opgesteld te worden dat, rekening houdend met de meest vooruitstekende delen, de voorkant van de rijen een rechte lijn vormt. Tussen de rijen dient uit veiligheidsoverwegingen een vrije doorgang te zijn van 4,50 m breed en 4,50 m hoog.
  4. Geen enkele standplaats, zowel in de straten als op de markten of pleinen, mag worden ingenomen dan na toewijzing door de verantwoordelijke voor de organisatie van Genk On Stage, daartoe aangesteld door het stadsbestuur.
  5. Personen die aan de bepalingen van 2.1, 2.2, 2.3 en 2.4 geen gevolg geven, kunnen door de politie - op bevel van de burgemeester - op eigen kosten en risico met alle middelen die hiervoor nodig mochten blijken, worden verwijderd.

 

Artikel 3. Innemen van standplaatsen voor verkoop in de straten door de aangelande handelaars.

  1. De standplaatsen kunnen worden toegewezen op aanvraag van betrokkenen, met een maximum van 2 vierkante meter en rechtstreeks voor hun inrichting. Afwijkingen zijn slechts mogelijk na goedkeuring door de burgemeester.
  2. De standplaatsen moeten bezet worden door de vergunninghouder zelf. De toegewezen standplaats kan onder geen enkel beding worden afgestaan aan een derde voor uitbating.
  3. De personen aan wie een standplaats is toegewezen, moeten zich steeds schikken naar de aanwijzingen en richtlijnen van de verantwoordelijke van de organisatie van Genk On Stage, daartoe aangesteld door het stadsbestuur, of naar deze van de politie, en desgevallend van de brandweer.
  4. De personen die weigeren hieraan te voldoen, zullen op bevel van de burgemeester, door de politie verplicht worden de standplaats onmiddellijk op te ruimen. Indien zij weigeren dit bevel op te volgen zullen zij ambtshalve op hun eigen kosten en risico met alle middelen die hiervoor nodig mochten blijken, van de straten en pleinen verwijderd worden.

 

Artikel 4. Verkoop van waren.

  1. Behoudens de bepalingen van artikel 5.5° van de wet op de ambulante handel van 25 juni 1993, mogen enkel verkoopsdaden worden gesteld van goederen of materialen waarvoor een vergunning werd afgeleverd door de gemeentelijke overheid, voor zover ze niet strijdig zijn met de wetten en besluiten hierop van toepassing.
  2. De personen die weigeren hieraan te voldoen en waren te koop stellen die verboden zijn, zullen op bevel van de burgemeester door de politie verplicht worden de standplaats onmiddellijk te verlaten. Indien zij weigeren dit bevel op te volgen, zullen zij ambtshalve en op eigen kosten en risico, met alle middelen die hiervoor nodig mochten blijken, van de markt, pleinen of straten verwijderd worden.

 

Artikel 5

  1. Personen aan wie een standplaats op één der markten, pleinen of straten is toegewezen, moeten het afval van koopwaren of verpakkingen verzamelen en degelijk verpakt op hun standplaats achterlaten.
  2. Ieder persoon aan wie een standplaats op de markt is toegewezen, is zelf verantwoordelijk voor de reinheid van zijn plaats.

 

Artikel 6

  1. Voertuigen voor het laden en lossen van koopwaren mogen niet langer dan nodig op de markten, pleinen of in de straten blijven staan.
  2. Voertuigen die, niettegenstaande de bepalingen van artikel 6.1., blijven staan, kunnen door de politie ambtshalve en op kosten en risico van de eigenaar worden verplaatst.
  3. Het is verboden op de wegen rondom de markten, pleinen en op de doorgangen tussen de kramen het verkeer te hinderen of onveilig te maken door er voertuigen te laten stilstaan of te parkeren, door er kramen op te richten, door er goederen of voorwerpen achter te laten of te plaatsen, door er rook of stoom te verspreiden, door er constructies op te richten of door er enige handeling te verrichten die de goede gang van de organisatie zou kunnen belemmeren.
  4. Tijdens de openingsuren van Genk On Stage is het voor de fietsers en bromfietsers verboden te rijden op de toegangen naar de markten, pleinen en de straten en op de doorgangen tussen de kramen. Het is er eveneens verboden voertuigen aan de hand te leiden. Zijn niet verboden: kinderwagens, wagentjes voor minder-validen of voertuigen van de hulp en veiligheidsdiensten.

 

Artikel 7. Andere manifestaties.

Op de markt, in de straten en op de pleinen is verboden:

  1. Het houden van betogingen, politieke meetings, samenscholingen,stoeten, het voeren van reclame, in welke vorm dan ook, behoudens schriftelijke en voorafgaandelijke toelating van de burgemeester.
  2. Het op touw zetten van organisaties zonder schriftelijk akkoord van de burgemeester en die zouden kunnen afbreuk doen aan of hinderend zijn voor de geest van de organisatie inzake muziek en culinaire happening.

 

Artikel 8. Overtredingen.

  1. Inbreuk op de beschikkingen van onderhavige verordening kunnen vastgesteld worden door de leden van de lokale politie, inclusief hulpagenten en de ambtenaren door de gemeenteraad aangewezen om vaststellingen te doen in het kader van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet.
  2. Inbreuken op de beschikkingen van onderhavige verordening worden bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet, voor zover door wetten die op dit vlak zouden bestaan, geen andere straffen zijn voorzien.
  3. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

 

Politieverordening betreffende de organisatie van de kermissen

 

Artikel 1: toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op kermissen die door het stadsbestuur worden ingericht op het grondgebied van de stad en waarbij gebruik wordt gemaakt van openbare pleinen of wegen om de kermisattracties op te bouwen.

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • kermis: plaatselijk periodiek terugkerend volksfeest met eetgelegenheden en vermakelijkheden als draaimolens, schiettenten, spookhuizen, enz.;
  • kermisattractie: elke inrichting of instelling, ie op een kermis wordt uitgebaat met of zonder winst voor de eigenaar of uitbater;
  • foorkramer: de eigenaar of uitbater van een kermisattractie;
  • plaatsmeester: door het college van burgemeester en schepenen aangestelde ambtenaar om de schikking van de kermis te regelen en de individuele standplaatsen aan te wijzen;
  • Standplaats: die plaats waar de foornijveraar met zijn attractie plaatsneemt voor de uitbating ervan;
  • Omloop van de kermis: de openbare pleinen, de openbare wegen of eventueel de particuliere eigendommen, waar vermakelijkheden, materiaalwagens en woonwagens zullen worden opgesteld gedurende de kermis;
  • Kermiscommissie: samenstelling zoals bepaald in artikel 2.

 

Artikel 2: kermiscommissie

Er werd een kermiscommissie opgericht met als doel het stadsbestuur advies te geven. Zij waakt over de stipte toepassing van de bepalingen van onderhavige verordening en adviseert het college van burgemeester en schepenen bij het nemen van die beslissingen. De kermiscommissie vergadert 2 maal per jaar, en verder zo dikwijls als dit voor de goede werking noodzakelijk is.

De kermiscommissie is samengesteld als volgt:

  • de burgemeester of zijn afgevaardigde als voorzitter
  • de schepen die evenementen onder zijn/haar bevoegdheid heeft of zijn/haar afgevaardigde
  • de plaatsmeester of zijn afgevaardigde
  • afgevaardigden van de foornijveraars
  • afgevaardigde van de wijken waar de kermissen plaatsvinden
  • de commissie kan, zo zij dit nuttig acht, derden (experten) uitnodigen op haar vergadering.

 

Artikel 3: plaats van de kermis(sen)

Het college van burgemeester en schepenen wijst, na advies van de kermiscommissie, de straten en pleinen aan waarop de kermissen doorgaan, evenals de plaatsen waar de woonwagens moeten geplaatst worden. Het college van burgemeester en schepenen bepaalt welke straten of pleinen (of gedeelten) hiervan, voorbestemd worden voor het plaatsen van grotere en/of nieuwe attracties. Dit wordt op het plan aangeduid als blauwe zone.

 

Artikel 4: tijdstip en duur

Het college van burgemeester en schepenen bepaalt, na advies van de kermiscommissie, de kalender, de dag en het uur van de opbouw, het aanvang- en sluitingsuur van de kermissen en het tijdstip waarop de bezette plaatsen, zoals bedoeld in artikel 3 van deze verordening ontruimd moeten zijn.

 

Artikel 5: de plaatsmeester

De plaatsmeester volgt de coördinatie (zoals het onderzoek naar de geldigheid van de inschrijving, het opstellen en het voorleggen van het plan aan het college van burgemeester en schepenen, …) van de kermis, de goede gang van zaken en de schikking van de kermis op en hij wijst de standplaatsen aan.

 

Artikel 6: vergunning college van burgemeester en schepenen – inschrijvingen

Het college van burgemeester en schepenen bepaalt, na advies van de kermiscommissie, de gunningvoorwaarden.

De inschrijvingen voor alle kermissen op het grondgebied van de stad moeten jaarlijks ingediend worden voor 15 januari van het betreffende jaar bij de stad bij middel van een aangetekend schrijvengericht aan het stadsbestuur. Enkel de uitbating van kermistoestellen, conform het koninklijk besluit van 18 juni 2003, is toegelaten.

Het college van burgemeester en schepenen maakt een chronologische en gedagtekende lijst van de binnengekomen kandidaturen. Bepalend is de datum van de poststempel of de datum van het ontvangstbewijs.

De kandidaturen, verzonden na de vastgestelde datum, worden eveneens opgenomen op een chronologische en gedagtekende lijst. Laattijdige maar geldige kandidaturen komen slechts in aanmerking indien en nog onbezette standplaatsen zijn na de toewijzing van de geldige en tijdige kandidaten.

De lijsten met de kandidaturen blijven ter inzage op het stadhuis.

 

Om geldig te zijn, dienen de kandidaturen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

  • de kandidaturen moeten per aangetekend schrijven toekomen bij het stadsbestuur of persoonlijk afgegeven worden op het kantoor van de plaatsmeester voor 15 januari;
  • de inschrijvingen dienen uit te gaan van kandidaten die geen enkele schuld meer te vereffenen hebben met het stadsbestuur uit hoofde van standplaatsrechten en de eventuele bijhorigheden zoals boeten en interesten;
  • de kandidaat-inschrijver dient volgende minimumgegevens in de inschrijving te vermelden:
    • naam, aard en type van de attractie (type A = een kermistoestel waarbij de voortbewogen personen een snelheid bereiken die groter is dan 10 meter per seconde of een hoogte boven het terrein bereiken die groter is dan 5 meter) of (type B = een kermistoestel dat geen kermistoestel type A is) of (type C = statische attractie)
    • naam, voornaam adres en GSM-nummer van de foornijveraar van de attractie
    • ondernemingsnummer
    • nummer leurkaart (voeding)
    • de commerciële frontbreedte van de attractie evenals de frontbreedte met inbegrip van alle uitsteeksels, de diepte van de attractie en de hoogte.

 

Bij deze inschrijving dient een kopie te worden bijgevoegd voor:

  • kermistoestel type A:
    • Een attest van jaarlijkse onderhoudsinspectie uitgevoerd door een onafhankelijk organisme (zie opmerking 1)
    • Een attest van periodiek nazicht tenminste eenmaal per drie jaar uitgevoerd door een geaccrediteerd organisme (zie opmerking 2)
    • Een attest van opstellingsinspectie dient afgeleverd voor de opening van de kermis door een onafhankelijk organisme (zie opmerking 1)
    • AREI-attest (art. 97) (algemeen reglement op de electrische installaties)
    • Een attest van afgesloten verzekering burgerlijke aansprakelijkheid met betalingsbewijs
  • kermistoestel type B:
    • Een attest van de jaarlijkse onderhoudsinspectie uitgevoerd door een technisch competent persoon (zie opmerking 3)
    • Een attest van periodiek nazicht eenmaal per tien jaar uitgevoerd door een onafhankelijk organisme (zie opmerking 1)
    • AREI –attest (art.97) (algemeen reglement op de electrische installaties)
    • Een attest van afgesloten verzekering burgerlijke aansprakelijkheid met betalingsbewijs
  • Kermistoestel type C:
    • AREI-attest (art. 97) algemeen reglement op de electrische installaties)
    • Een attest van afgesloten verzekering burgerlijke aansprakelijkheid met betalingsbewijs

 

Opmerkingen:

  1. Een onafhankelijk organisme voldoet aan volgende vereisten. Zij stellen technisch personeel tewerk die technisch competent zijn. Het kaderpersoneel en het technisch personeel zijn onafhankelijk, bij het uitvoeren van proeven, het opstellen van verslagen en het afgeven van verklaringen, ten aanzien van alle kringen, groeperingen en personen die rechtstreeks of onrechtstreeks belangen hebben bij het uitbaten van kermistoestellen.
  2. Een geaccrediteerd organisme moet geaccrediteerd zijn door het Belgisch accreditatiesysteem, opgericht bij het koninklijk besluit van 22 december 1992 tot oprichting van een accreditatiesysteem van beproevingslaboratoria en keuringsinstellingen en tot vaststelling van de procedures en de voorwaarden van accreditatie overeenkomstig de criteria van de normen van de reeks NBN-EN 45000 of geaccrediteerd zijn door een evenwaardige organisatie of voldoen aan een nationale regelgeving van een land die partij is bij de EER-overeenkomst en die de naleving oplegt van criteria die gelijkwaardige garanties bieden als het voormelde Belgische accreditatiesysteem.
  3. Een technisch competent persoon heeft de leeftijd van 18 jaar bereikt, heeft voldoende praktijkervaring en vakkennis om de bepalingen van het besluit van 18 juni 2003 betreffende de uitbating van kermistoestellen op een correcte wijze te kunnen uitvoeren en toepassen, heeft voldoende praktijkervaring en vakkennis om een risicoanalyse correct te kunnen lezen en beschikt tenminste over 3 jaar technische praktijkervaring met kermistoestellen.

 

Artikel 7: toewijzing van de standplaatsen

De standplaatsen worden toegekend door het college van burgemeester en schepenen door middel van een vergunning en vervolgens op het foorplan aangeduid. De overblijvende en niet vooraf ingenomen plaatsen worden door de plaatsmeester in overleg met het college van burgemeester en schepenen toegewezen.

De toewijzing van de standplaatsen gebeurt met inachtnemening van de volgende criteria:

  • voorrang krijgt de kandidaat, die het voorafgaandelijk jaar een standplaats op dezelfde kermis toegewezen kreeg. Indien deze kandidaat echter intussen een nieuwe attractie aanbiedt ter vervanging van de vorige (d.w.z. nieuwe wagen met andere afmetingen, attractie van andere aard, …), dan vervalt zijn voorrang op de standplaats van het vorige jaar en dienen de criteria gevolgd zoals hierna gestipuleerd in b;
  • de overige kandidaten die geen beroep kunnen doen op de voormelde voorrang, kunnen een standplaats toegewezen krijgen volgend de chronologische vermelding op de lijst, rekening houdend met de afmeting der opgestelde attracties, en dit in functie van dezelfde aard dienen gescheiden te zijn door tenminste een spel of attractie van een andere aard), de veiligheid, het ordelijk verloop van de kermis, de efficiënte plaatsinvulling en de beschikbare ruimte.
  • Indien het aantal kandidaten, dat tijdig en geldig ingeschreven heeft, kleiner is dan het totaal aantal te begeven standplaatsen, worden de kandidaten in aanmerking genomen, die voorkomen op de lijst der laattijdige doch geldige inschrijvingen. De toewijzing van de standplaatsen aan deze kandidaten gebeurt volgens de criteria als deze hierboven vermeld onder b;
  • De standhouder dient aanwezig te zijn op de plaatsgeving. De standhouder wordt schriftelijk in kennis gesteld van plats, datum en uur van plaatsgeving. Elke plaats die niet bezet is op donderdagmorgen om 10u00 voor de opening van de kermis wordt beschouwd als zijnde opgegeven. De plaatsmeester kan er, zonder verdere verwittiging, vrij over beschikken, zonder dat de foornijveraar hiervoor enige schadevergoeding kan eisen. De kermiscommissie zal zich na beraad uitspreken over een eventuele sanctie;
  • Standhouders, die binnen de 2 maanden vóór de kermis de hun toegekende standplaats opzeggen, verliezen het recht op hun standplaats voor alle Genkse kermissen, gedurende 12 maanden.

 

Artikel 8: bevoegdheid college van burgemeester en schepenen

Het college van burgemeester en schepenen behoudt zich het recht om het aantal toegelaten gelijkaardige inrichtingen en hun afmetingen te bepalen en/of te beperken, alsook te oordelen over de gelijkaardigheid der inrichtingen.

Het college van burgemeester en schepenen kan eveneens beslissen dat twee inrichtingen van dezelfde aard niet naast elkaar mogen staan. Bovendien legt het college van burgemeester en schepenen de afstand tussen de inrichtingen vast, doch er moet alleszins een ruimte van 0,50 meter openblijven.

 

Artikel 9: overdracht gerechtigden

De overdracht van een standplaats kan enkel indien tegelijk aan volgende voorwaarden is voldaan:

  • De overnemer is een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van diegene aan wie de standplaats met attractie is toegewezen of een derde die op eigen naam een geldige inschrijving doet en dus voldoet aan alle door de wet en dit reglement opgelegde eisen;
  • De overnemer zet de activiteit d.w.z. attractie voort die werd gestaakt door de persoon aan wie de standplaats werd toegewezen;
  • De overdrachtgever is reeds vijf jaren met dezelfde attractie aanwezig op de stedelijke kermissen. De overdracht is geldig voor de resterende geldigheidsduur van de vergunning. De burgemeester kan, na advies van de kermiscommissie, de overnemer toelaten de standplaats van de overdrachtgever te behouden of hem een andere plaats toekennen. Bij overlijden van een standplaatshouder dient zijn opvolger met dezelfde attractie deze standplaats in te nemen. Indien hierover onenigheid zou bestaan, bepaalt het college van burgemeester en schepenen wie de nieuwe standplaatshouder is.

 

Artikel 10: tijdelijk of definitief verplaatsen, opschorten of intrekken van het recht op een standplaats

Het college van burgemeester en schepenen behoudt zich, na advies van de kermiscommissie, het recht voor om:

  • een bindende uitspraak te doen in geschillen
  • het aantal toegelaten gelijkaardige attracties en hun afmetingen te bepalen en indien nodig te beperken, alsook om te oordelen over de gelijkaardigheid der inrichtingen. Dit om de diversiteit, de fraaiheid en de activiteit van de kermissen te behouden of te verhogen.
  • De standplaats te verplaatsen indien dit noodzakelijk blijkt voor de openbare orde, veiligheid en/of rust.

 

Het college van burgemeester en schepenen beslist, na advies van de kermiscommissie, of standhouders hun rechten op een standplaats tijdelijk dan wel definitief verliezen zonder recht op enige schadevergoeding ingevolge:

  • werken aan openbare of private gebouwen
  • werken van openbaar nut
  • wijziging in verkeerscirculatie
  • renovatie van openbaar domein
  • plaatsing van nuts-, groenvoorzieningen of straatmeubilair
  • het omschakelen naar een andere en/of grotere attractie.

 

Het college van burgemeester en schepenen beslist, na advies van de kermiscommissie, dat het recht op een standplaats opgeschort of definitief ingetrokken wordt als betrokkene zich niet houdt aan de aanwijzingen van de plaatsmeester of de goede gang van zaken blijft storen.

 

Artikel 11: inname van de standplaatsen

De standplaatsen voor de attracties en woonwagens mogen pas ingenomen worden na toestemming en op aanwijzing van de plaatsmeester. De foornijveraars dienen de instructies, gegeven door de plaatsmeester, strikt op te volgen. Deze plaatsen mogen niet verlaten worden op het einde van de kermis. Het ingenomen openbaar domein dient in de oorspronkelijke staat te worden achtergelaten. Het verlaten van de terreinen gebeurt eveneens volgend de richtlijnen van de plaatsmeester. Beschadigingen en andere kosten inherent aan de inname van een standplaats, vastgesteld na het verlaten van de standplaats, worden gefactureerd.

Elke standplaats, die niet ingenomen is op donderdag om 10u00, wordt beschouwd als opgegeven.

 

Artikel 12: attractiewissel op standplaats

Een attractiewissel op een standplaats is enkel mogelijk mits toelating wordt verkregen van het college van burgemeester en schepenen.

 

Artikel 13: regelgeving m.b.t. de kermisattracties met het oog op de veiligheid en reinheid

De standplaatshouder moet op ieder ogenblik op vraag van de stad de volgende attesten, verstrekt door een erkend controleorganisme, kunnen voorleggen:

  1. al de wettelijke opgelegde attesten van veiligheid
  2. en bovendien de volgende attesten, voorzover niet opgelegd door een specifieke wet:
  • verslag van technisch onderzoek na hermontage (dit heeft ook betrekking op de mechaniek)
  • attest van elektrische controle (attest mag max. 1 jaar oud zijn en moet de ganse elektrische installatie dekken; indien er geen aarding ter beschikking gesteld wordt door de stroomleverende maatschappij, moet er bijkomend voor elke nieuwe aansluiting op het net, een controle van de aarding zijn, dus na elke hermontage).
  • attest met betrekking tot de brandveiligheid en ontploffingsgevaar wat betreft gasinstallaties.

 

Na de dagelijkse sluiting moet de elektrische installatie van elke inrichting stroomloos worden gesteld.

De inrichtingen moeten uitgerust zijn met de nodige voorzieningen inzake brandbeveiliging.

In de inrichtingen voor schouwspelen dienen de nooduitgangen steeds vrijgehouden te worden. De deuren moeten buitenwaarts opendraaien en in geopende toestand kunnen vastgezet worden. Trommel- en draaikruisdeuren zijn verboden. Er mag niet gerookt worden.

Voor het overige dienen de richtlijnen van de bevelhebber van de stedelijke Brandweer opgevolgd te worden.

De foorreizigers die dranken, gebak, snoep of andere etenswaren verkopen, moeten altijd zuivere en onvervalste waren en materialen gebruiken en leveren. Bij twijfel kan de stad altijd het verplicht attest vanwege de gezondheidsinspectie opvragen.

 

Artikel 14: prijs

In elke inrichting moet goed zichtbaar een bord worden aangebracht met vermelding van naam en aard van de inrichting.

Ook moet de maximum uitbatingprijs per rit of beurt duidelijk zichtbaar vermeld zijn. Deze prijs mag gedurende de ganse kermis niet overschreden worden. Het is wel toegelaten de prijs te verminderen.

 

Artikel 15: uitbating

De foornijveraar is verplicht zijn attractie open te houden tijdens de dagen en uren voorzien door het college van burgemeester en schepenen. Hij mag zijn attractie niet afbreken voor het einde van de kermis.

De foornijveraar moet bij inschrijving en bij eventuele controle ter plaatse tijdens de kermis alle documenten kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de attractie in regel is met alle van toepassing zijnde wetgevingen en reglementeringen.

 

Artikel 16: omstaanders

De uitbater van een attractie op de foor moet alle mogelijke voorzorgen treffen om de veiligheid van omstaanders en gebruikers van zijn kermisinrichting te verzekeren.

 

Artikel 17:

het is ten strengste verboden:

  • de afloop van het water van de wegen naar de rioolmonden op enige wijze te stremmen. Daartoe dienen de greppels van de rijwegen en de rioolmonden volkomen vrijgelaten. De afwas- en vuile waters zullen langs waterdichte leidingen van voldoende doorsnede tot aan de greppels gevoerd worden. Andere schadelijke vochten moeten worden opgevangen in waterdichte bakken, om, na onschadelijk te zijn gemaakt, te worden afgevoerd in de straatriool. Oliën, die zich na het afbreken onder of naast de attracties mochten bevinden, dienen onmiddellijk te worden verwijderd. Bij niet-naleving van deze regel zullen de opruimingskosten doorgerekend worden naar de foornijveraar;
  • gebruik te maken van oorverdovende seinen;
  • de aard der inrichtingen te wijzigen of andere waren te verkopen dan deze vermeld in de vergunning;
  • voorstellingen te geven, die rechtstreeks of onrechtstreeks aanleiding geven tot enige verstoring van de openbare orde, rust, veiligheid en gezondheid. De burgemeester kan overeenkomstig de schikkingen van artikel 133 en 135 van de Nieuwe Gemeentewet de onmiddellijke sluiting bevelen van de desbetreffende foorinstelling;
  • aan de uitbaters van loterijen, spelen, enz…lotjes te verkopen buiten hun instelling of hiermede de voorbijgangers op opdringerige wijze lastig te vallen;
  • de standplaats niet rein te houden; alle afval in en rondom de standplaats dient door de foorkramer opgeruimd te worden.

 

Artikel 18: betaling van standgeld

De betaling van het standgeld gebeurt hetzij op de Dienst Financiën van de stad tegen afgifte van een kwijting, hetzij door overschrijving op rekening van de stad en dit vóór een door het college van burgemeester en schepenen bepaalde datum. Bij niet-betaling voor deze datum, kan het college van burgemeester en schepenen de vergunning intrekken, zoals bepaald in artikel 19 van deze verordening.

 

Artikel 19: sancties

Voorzover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen bepalen, worden de inbreuken op de onderhavige verordening gesanctioneerd als volgt:

  1. niet-naleving van de bepalingen, vervat in artikelen 6, 7, 8, 9, 10 en 18, worden gesanctioneerd met de tijdelijke schorsing of de volledige intrekking van de vergunning door het college van burgemeester en schepenen.
  2. Inbreuken op de artikelen 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 worden bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

HERBERGEN

Politieverordening betreffende het verplicht sluiten van publieke inrichtingen

 

Artikel 1:

  • 1.1. Deze verordening is van toepassing op danslokalen, eetgelegenheden, dito verkoopspunten, concertlokalen, lokalen voor vermakelijkheden, restaurants, spijshuizen, koffiehuizen, theehuizen en drankgelegenheden, zoals omschreven in artikel 1 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van drank en betreffende het vergunningsrecht, hierna publieke inrichtingen genoemd.
  • 1.2. Behoudens afwijkingen die de burgemeester toelaat, moeten uitbaters van bedoelde inrichtingen hun inrichting iedere dag sluiten van 02.00 u. tot 05.00 u.
  • 1.3. Uitbaters van bedoelde inrichtingen zijn ontheven van deze verplichting op de hierna volgende dagen:
  1. Oudejaarsavond: nacht van 31 december op 1 januari
  2. Nieuwjaar: nacht van 1 januari op 2 januari
  3. Carnaval, zijnde de zaterdag voorafgaande aan Aswoensdag, doorlopend van zondagmorgen 02.00 u. tot woensdagmorgen 05.00 u.
  4. De 1 Mei-viering: doorlopend vanaf 1 mei te 02.00 u tot 2 mei te 05.00 u.
  5. St.-Barbara – 4 december: doorlopend van 4 december: doorlopend van zondagmorgen te 02.00 u. tot 5 december te 05.00 u.
  6. De plaatselijke kermis: doorlopend van zondagmorgen te 02.00 u. tot dinsdagmorgen te 05.00 u.

 

Artikel 2: Ontheffing van sluiten

  • 2.1. De burgemeester kan een uitbater van een publieke inrichting ontheffing verlenen van het sluiten van zijn inrichting, zoals vastgesteld is in artikel 1.2, mits de aanvrager de beschikkingen houdende de gemeentebelasting op het openhouden van drankslijterijen na het sluitingsuur naleeft.
  • 2.2. In de omstandigheden aangehaald in 2.1. kan voor elke nieuwe uitbating gedurende de eerste 6 maanden de ontheffing van het sluiten van publieke inrichtingen slechts voor de duur van telkens één maand worden toegestaan.
  • 2.3. De ontheffing van het sluiten van een publieke inrichting kan worden toegestaan voor de hierna vermelde perioden en/of dagen:
  1. iedere nacht gedurende een kalenderjaar
  2. ieder weekend gedurende een kalenderjaar
  3. ieder weekend gedurende een half jaar van 1 januari tot en met 30 juni of van 1 juli tot en met 31 december
  4. iedere nacht gedurende een kalendermaand
  5. een bepaalde dag tussen 02.00 u. en 05.00
  6. occasioneel zoals hierna omschreven in artikel 2.7.
  • 2.4. Onder de hiervoren genoemde perioden wordt begrepen door:
  1. kalenderjaar: van 1 januari tot en met 31 december
  2. kalendermaand: van de eerste tot en met de laatste dag van een maand
  3. weekend: van zaterdagmorgen 02.00 u. tot maandagmorgen 05.00 u.
  • 2.5. De ontheffing vermeld onder 1., 2., 3., 4., 5. van artikels 1.3. slaan op alle publieke inrichtingen die op het grondgebied van de gemeente gelegen zijn. Het college van burgemeester en schepenen stelt een lijst op van straten waar publieke inrichtingen gelegen zijn en die ontheven zijn van het verplicht sluiten, vastgesteld in artikel 1.2. bij gelegenheid van plaatselijke kermis genoemd onder artikel 1.3.6.
  • 2.6. Uitbaters van publieke inrichtingen, die ontheffing van het sluiten van hun inrichtingen hebben bekomen, zijn gehouden de vergunning op een goed zichtbare wijze binnen hun inrichting op te hangen om hiervan aan de aanwezige personen kennis te geven en om misverstanden te voorkomen.
  • 2.7. Uitbaters van publieke inrichtingen kunnen in een jaar maximum 10 dagen, naar eigen keuze te bepalen, van het sluiten van hun inrichting ontheven worden, mits zij voldoen aan de hierna genoemde voorwaarden:
  1. vóór het veerplicht sluiten van de desbetreffende dag stelt de betrokken eigenaar de plaatselijke politie in kennis van zijn voornemen om gebruik te maken van de occasionele ontheffing;
  2. hij brengt op de occasionele ontheffing in het daartoe bestemde hokje een kleefzegel aan, die hij dag- en naamtekent;
  3. hij hangt de occasionele ontheffing op een goed zichtbare plaats binnen zijn inrichting op om de aanwezigen ervan kennis te geven en om misverstanden te voorkomen.
  • 2.8. De occasionele ontheffing moet te allen tijde op het eerste verzoek van een bevoegde ambtenaar worden voorgelegd voor controle.
  • 2.9. Het is de houders van een occasionele ontheffing verboden kleefzegels aan een nieuwe uitbater over te dragen, af te staan of te verkopen aan een derde.
  • 2.10. De ontheffing van het verplicht sluiten van een publieke inrichting wordt door de burgemeester slechts toegestaan na voorafgaand onderzoek door de politie.
  • 2.11. De burgemeester kan een vergunning tot ontheffing van sluiten van een publieke inrichting intrekken:
  1.  indien de uitbater van deze inrichting veroordeeld wordt:
    1. wegens een inbreuk op de wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden;
    2. wegens inbreuk op artikel 4, laatste alinea en artikel 5 van de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap;
    3. wegens inbreuk op artikel 13 van de wet betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht.
  2. 2. indien een uitbater van een publieke inrichting daden stelt van discriminatie ten overstaan van bezoekers van zijn inrichting om redenen die niet gebaseerd zijn op een gebrek aan behoorlijk gedrag, deftige kledij, verzorgd voorkomen van de betrokken bezoeker, zelfs zonder dat hij hiervoor veroordeeld werd door een rechtbank. 

Dergelijk besluit van de burgemeester wordt bij een eerstvolgende zitting aan de gemeenteraad voorgelegd. De intrekking van een ontheffing tot sluiten van een publieke inrichting door een burgemeester wordt de betrokken uitbater steeds betekend.

  • 2.12. De uitbater van een publieke inrichting die een besluit van de burgemeester ingevolge toepassing van artikel 2.11 en waarbij de ontheffing van het sluiten van zijn inrichting wordt ingetrokken, overtreedt, wordt gestraft met straffen voorzien in artikel 4.2.

 

Artikel 3: Openbare orde, rust en veiligheid

  • 3.1. Het is eenieder, uitgezonderd de uitbater, zijn gezinsleden en zijn personeel, verboden tijdens de ingevolge artikel 1.2. vastgestelde sluiting in de inrichting en/of aanhorigheden te vertoeven.
  • 3.2. Het is de uitbater van een publieke inrichting, zijn gezinsleden en zijn personeel verboden de inrichting en/of aanhorigheden op slot te doen, lichten te doven of te dempen, zolang één of meer personen, buiten de uitbater, zijn gezinsleden en zijn personeel, in de inrichting vertoeven.
  • 3.3 Uitbaters van een publieke inrichting, zijn gehouden, indien zij hiertoe materieel in de mogelijkheid zijn, onverwijld de bevoegde agenten vermeld in artikel 4.1. te verwittigen wanneer aanwezige personen na de in artikel 1.2. vastgestelde sluiting weigeren de inrichting of de aanhorigheden te verlaten, alhoewel zij daartoe door hemzelf zijn aangezocht.
  • 3.4. Uitbaters van een publieke inrichting zijn gehouden op het eerste verzoek van een bevoegd agent, vermeld in artikel 4.1., deze toegang tot de inrichting en de aanhorigheden te verlenen, zolang hier personen aanwezig zijn.
  • 3.5. Bij vaststelling, zowel bij dag als bij nacht, van gerucht of rumoer in een publieke inrichting, van aard om de openbare veiligheid, orde of rust van bewoners te verstoren, kunnen de bevoegde agenten, vermeld in artikel 4.1., de inrichting en de aanhorigheden doen sluiten tot 05.00 u. ’s morgens.
  • 3.6. Bij vaststelling van het storen van openbare orde en de rust of bij wanordelijkheden van aard om de veiligheid van personen in het gedrang te brengen, kan de burgemeester of de schepen die hem vervangt bij de uitoefening van zijn ambt, de ontheffing van het sluiten van een publieke inrichting, zoals omschreven in artikel 2., intrekken.
  • 3.7. De uitbater van een publieke inrichting wiens inrichting gesloten wordt ingevolge artikel 3.5 en de uitbater van een publieke inrichting wiens vergunning tot ontheffing van het sluiten van zijn inrichting is ingetrokken ingevolge artikel 3.6., en die personen, andere dan gezinsleden en zijn personeel tot zijn inrichting of aanhorigheden toelaat, wordt gestraft met straffen voorzien in artikel 4.2.

 

Artikel 4: Sancties

  • 4.1. Inbreuken op de beschikkingen van deze verordening kunnen vastgesteld worden door politieambtenaren en door hulpagenten van de politie evenals door ambtenaren daartoe aangesteld in het kader van artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet.
  • 4.2 Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

 

MARKTEN

Politieverordening op de openbare markten

 

Artikel 1: definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder

  • A. Marktcommissie: Er is een marktcommissie opgericht. Het doel van deze marktcommissie is het stadsbestuur te adviseren. De marktcommissie vergadert minstens eenmaal per jaar, en verder zo dikwijls als dit voor de goede werking noodzakelijk is. De vergaderingen zijn niet openbaar. Personen van wie wordt geoordeeld dat hun aanwezigheid nuttig kan zijn voor de bespreking van een bepaald onderwerp, kunnen worden uitgenodigd om de vergadering van de commissie bij te wonen, enkel voor de bespreking van dit bepaald onderwerp.
    • Samenstelling van de marktcommissie:
      • burgemeester en/of de schepen bevoegd voor de markten
      • de marktleider(s)
      • maximum 10 vertegenwoordigers van de marktkramers
      • vertegenwoordigers van de middenstand
      • vertegenwoordigers van de horeca
  • B. Marktleider: De marktleider is belast met de uitvoering en toepassing van dit reglement en duidt, overeenkomstig het marktplan, de standplaatsen aan. De marktleiding wordt toevertrouwd aan één of meerdere personeelsleden van de stad. De verbaliserende bevoegdheid, in toepassing van artikel 21, wordt uitgeoefend door de politiediensten.
  • C. Markt: openbare markt, verder kortweg omschreven als ‘markt’, is een plaats op een openbaar domein door de stad ingericht en georganiseerd om personen samen te brengen die producten/diensten verkopen op tijdstippen en plaatsen door de stad bepaald.
  • D. Standhouder: de uitbater van een standplaats.
  • E. Standplaats: afgebakende plaats op de markt
    • voor abonnementshouders
    • voor marktkramers die op eigen risico komen
  • F. Abonnementhouder: een marktkramer die een permanente vergunning van de stad heeft om op de markt een vaste plaats in te nemen.
  • G. Abonnement: kan beschouwd worden als een vergunning, conform art. 119 bis van de Nieuwe Gemeentewet.
  • H. Standwerker: demonstreerder van goederen.
  • I. Losse: marktkramer die op eigen risico komt.

 

Artikel 2: toepassingsgebied

Onderhavige verordening is van toepassing op de wekelijkse en bijzondere markten en gelegenheden.

Wekelijkse markten: iedere donderdag in Genk-centrum en iedere zaterdag in de Vennestraat.

Deze markten zijn bestemd voor o.a. de verkoop van voedings- en textielwaren, bloemen en planten, lederwaren, mercerie, huishoud- en geschenkartikelen, onderhoudsproducten, fantasiejuwelen, rookwaren, speelgoedartikelen , enz.

 

Artikel 3: wettelijke feestdagen en bijzondere markten

Indien een wettelijke feestdag samenvalt met een donderdag of een zaterdag kan het college van burgemeester en schepenen deze marktdag verschuiven naar een andere dag na advies te hebben ingewonnen bij de betrokken marktcommissie.

Het college van burgemeester en schepenen kan, na advies van de betrokken marktcommissie (-werkgroep), zowel occasioneel, periodiek als permanent andere marktdagen aan donderdag en zaterdag toevoegen indien het oordeelt dat hiertoe redenen bestaan.

Elk jaar op 1 mei zal in het kader van de 1 meifeesten een jaarmarkt worden gehouden, die wordt betiteld als ‘1 mei-jaarmarkt’. De standplaatsen worden bij voorrang toegewezen aan de wekelijkse marktkramers, indien de aanvraag gebeurt binnen de gestelde inschrijvingstermijn. De overige vrije plaatsen worden toegewezen in chronologische volgorde van aanvraag.

Op Hemelvaartsdag wordt een markt gehouden, die wordt betiteld als ‘Feestmarkt van Onze-Lieve-Heer-Hemelvaart’.

Ter gelegenheid van Allerheiligen kunnen standplaatsen, enkel en alleen met het oog op de verkoop van bloemen en aanverwante artikelen, worden verleend nabij de ingangen van de kerkhoven te Genk-centrum en Genk-Waterschei.

Jaarlijks worden op de zondagen van 1 juli tot en met 31 augustus in Genk-centrum ‘zondagsmarkten’ gehouden met een strikte scheiding tussen particulieren en ambulante handelaars (rommelmarkt).

De wekelijkse donderdag- of zaterdagmarkten zullen niet doorgaan wanneer kerst- en nieuwjaarsdag op een donderdag of een zaterdag vallen. De marktcommissie kan een andere datum voorstellen.

De donderdagmarkt wordt georganiseerd op een andere locatie indien Kerstmis en nieuwjaar op een vrijdag vallen.

Jaarlijks worden er avondmarkten gehouden waarvoor een concessie wordt toegekend aan de provinciale beroepsvereniging der marktkramers van Limburg onder de vastgelegde voorwaarden door de stad Genk opgelegd.

Tijdens sommige manifestaties, georganiseerd door KRC Genk, wordt een markt georganiseerd op de Duinenlaan, Stadionplein en de Opglabbekerzavel.

 

Artikel 4: openingsuren

  • de wekelijkse donderdag- en zaterdagmarkten zijn geopend van 08.00 tot 13.00 uur;
  • de 1 mei-jaarmarkt is geopend van 08.00 tot ten laatste 14.30 uur;
  • de feestmarkt van Hemelvaartsdag is geopend van 08.00 tot 14.00 uur;
  • de zondagsmarkt is geopend van 08.00 tot 13.00 uur;
  • de avondmarkten zijn geopend van 17.00 tot 22.00 uur;
  • het college van burgemeester en schepenen behoudt zich evenwel het recht voor om, na advies van de marktcommissie, de openings- en sluitingsuren van de openbare markten te wijzigen.

 

Artikel 5: producten die niet het voorwerp mogen zijn van een ambulante activiteit

Alle producten die bij koninklijk besluit verboden zijn en die niet het voorwerp mogen zijn van een ambulante verkoop zijn eveneens verboden op de markten georganiseerd op het grondgebied Genk.

Bovendien is elke tentoonstelling, verspreiding of verkoop van boeken, audiovisuele middelen of enig ander voorwerp, dat aanzet tot geweld of tot het nazisme, het fascisme of om het even welke ideologie die in strijd is met de Universele Verklaring van de Mensenrechten, verboden op de openbare markten.

 

Artikel 6: plaats van de markt

Het college van burgemeester en schepenen wijst na advies van de marktcommissie de straten en pleinen aan waar de wekelijkse donderdag- en zaterdagmarkten en de bijzondere markten kunnen doorgaan.

De standplaatsen op de markten worden ingedeeld volgens een plan, opgemaakt door de diensten van de stad in functie van de structuur van het openbaar domein en de mogelijke infrastructurele ontwikkelingen.

 

Artikel 7: vergunning

Niemand mag zonder vergunning, afgeleverd door het college van burgemeester en schepenen, een standplaats innemen op de openbare markt.

Een vergunning voor een standplaats op de openbare markten kan enkel toegekend worden aan houders van een machtiging om ambulante activiteiten uit te oefenen (cfr. art.3, tweede lid, 1° en 3° van voornoemde wet van 25 juni 1993) of aan personen die een erkenning bezitten voor verkopen met menslievend doel, conform de artikelen 2 tot 6 van voornoemd koninklijk besluit van 3 april 1995.

 

Artikel 8: houders van een standplaats met abonnement

Maximum 95% van de standplaatsen kunnen toegekend worden met een abonnement.

5% van de standplaatsen wordt voorbehouden voor marktkramers, die op eigen risico komen.

Openliggende plaatsen, die in aanmerking komen voor toewijzing per abonnement, zullen uitsluitend toegekend worden via de wettelijk voorziene chronologische lijst, in zoverre het geen artikel is waarvoor de saturatie bereikt is. In de mate dat het organisatorisch mogelijk is, zal de eerste rechthebbende deze plaats innemen.

Teneinde enige variatie in het aanbod te behouden en te bevorderen en de leefbaarheid van het marktgebeuren te waarborgen kan het vollege van burgemeester en schepenen een saturatiepercentage invoeren voor bepaalde artikelen per markt. Het college van burgemeester en schepenen stelt de artikelen vast alsmede het percentage dat zal worden toegepast bij saturatie van een artikel en dit na het advies van de marktcommissie te hebben ingewonnen.

De saturatie is van toepassing op de vaste abonnementsplaatsen en de standwerkers.

Marktkramers, die op eigen risico komen, mogen geen artikelen verkopen waarop de saturatie van toepassing is.

 

  • A. TEXTIELWAREN = maximum 35% der abonnementen toe te kennen aan textielwaren
  • B. VOEDING = maximum 30% der abonnementen toe te kennen aan voedingswaren;
    • Onderverdeeld als volgt:
      • kaas en charcuterie = 5%
      • gebraden vlees en gevogelte = 2,5%
      • groenten en fruit = 7,5%
      • brood en banket = 1,5%
      • verse vis en aanverwanten = 1,5%
      • confiserie = 5%
      • gerechten gebruik ter plaatse = 5%
      • andere voeding = 2%
  • C. Diversen =
    • andere vaste standhouders = 25%
    • standwerkers = 5%
    • lossen = 5%

 

Artikel 9: kandidaat-houders van een standplaats met abonnement

Standplaatsen, die het voorwerp uitmaken van een abonnement, worden toegekend volgens de chronologische volgorde van de ontvangen aanvragen. Deze aanvragen dienen jaarlijks schriftelijk hernieuwd vóór 31 januari van het betreffende jaar bij de marktleider van de stad Genk.

De aanvragen worden opgenomen op een chronologische en gedagtekende lijst, zonder dat hierbij stukken worden opengelaten of geschrapt.

Openliggende standplaatsen, die in aanmerking komen voor toewijzing per abonnement, worden uitsluitend toegekend via deze chronologische lijst in zoverre het geen verkoop van een artikel betreft waarvoor de saturatie bereikt is (of dat gelijkaardig is aan de artikelen die in de nevenliggende standplaatsen verkocht worden). Bovendien dient de openliggende standplaats voldoende ruimte te bieden om de eerste rechthebbende toe te laten deze plaats in te nemen.

Om geldig te zijn, dient de aanvraag minstens volgende gegevens te vermelden:

  • soort producten, die te koop worden aangeboden;
  • het nummer van de kaart voor het uitoefenen van ambulante activiteiten;
  • het ondernemingsnummer;
  • het aantal meters dat de aanvrager wil innemen;
  • gebruik van kraam of wagen.

 

Artikel 10: intrekken van een abonnement

Kunnen van het abonnement vervallen verklaard worden:

  • de houders van een standplaats met abonnement, die gedurende drie opeenvolgende weken of tien weken per jaar afwezig zijn;
  • de standhouders die na schriftelijke aanmaning de goede gang van zaken blijven storen en tegen het marktreglement blijven handelen;
  • de standhouders die niet langer beschikken over een machtiging tot uitoefenen van ambulante activiteiten.

 

Artikel 11: losse standhouders

De standplaatsen, die niet het voorwerp uitmaken van een abonnement, en de toevallig vrije standplaatsen kunnen bij loting toegewezen worden, voorzover het geen verkoop van een artikel betreft waarvoor de saturatie bereikt is. De loting wordt georganiseerd door de marktleider.

De marktleider kan onder de gunstig gelote standhouders de volgorde wijzigen om reden van praktische aard, veiligheid, openbare orde, toegankelijkheid, artikel.

Losse deelnemers zijn verplicht de plaatsen in te nemen, die hun door de marktleider toegewezen worden. Zij dienen hun stand onmiddellijk op te bouwen en te openen.

 

Artikel 12: tijdelijk of definitief verplaatsen of opschorten van een vaste plaats

Het college van burgemeester en schepenen kan, na advies van de betrokken marktcommissie, beslissen dat één of alle standhouders hun rechten op hun plaats tijdelijk verliezen zonder enig recht op schadevergoeding door:

  • werken aan openbare of privé -gebouwen;
  • werken van openbaar nut;
  • jaarlijkse kermis, Genk on Ice en Genk on Stage (eventuele onvoorziene bijkomende manifestaties zullen eerst in de marktcommissie worden besproken).

 

In deze gevallen krijgen de betrokkenen tijdelijk een andere standplaats toegewezen door de marktleider en hebben zij voorrang op de chronologische wachtlijst voor een andere standplaats met abonnement.

Standhouders wiens standplaats tijdelijk of definitief wegvallen door vb. werken, hebben voorrang op de chronologische wachtlijst. Deze betrokkenen kunnen hun voorkeur bekendmaken voor een nieuwe standplaats. Wanneer er meer gegadigden zijn voor één en dezelfde standplaats (tussen al deze betrokkenen) wordt de standplaats gegund aan de aanvrager met de meeste anciënniteit van abonnement.

Het college van burgemeester en schepenen kan met het oog op het goede verloop van de markt uitzonderlijk een afwijking toestaan op de bovenvermelde bepalingen. Hij bepaalt in voorkomend geval de modaliteiten waaronder een afwijking toegestaan wordt.

 

Artikel 13: overdracht standplaats

Bij overgave aan derden dient de overgever het bewijs te leveren van definitieve schrapping van het ondernemingsnummer en van inlevering van zijn kaart van ambulante handel. De overdracht van de standplaats is geldig tot 31 december van het jaar van het abonnement van de persoon die overleden is of zijn activiteit heeft stopgezet. De burgemeester kan vanaf 1 januari van het erop volgende jaar, na advies van de marktcommissie te hebben ingewonnen, de overnemer toelaten de standplaats van de overlater te behouden of hem een andere standplaats toekennen.

 

Artikel 14: bepalingen aangaande de deelnemende handelaars

Personen aan wie een standplaats op een der markten te Genk wordt toegewezen, zijn verplicht zich te schikken naar de wettelijke voorschriften aangaande de leurhandel, de inschrijving in de kruispuntbank van ondernemingen, de beroepskaart, de belastingen op de toegevoegde waarde en de handel in het algemeen.

Handelaars in voedingswaren dienen alle voorschriften van het ministerie van Volksgezondheid dienaangaande stipt na te leven. Volgens de aard van de goederen dienen tevens prijs, gewicht, volume, maten of aantal stuks aangeduid te worden op de koopwaren of de prijslijst.

Het gebruik van een geluidsinstallatie is verboden. Enkel de verkopers van geluidsdragers en dergelijke mogen zich van een geluidsinstallatie bedienen, op voorwaarde dat de geluidssterkte niet meer dan 75 decibel bedraagt, gemeten op 5 m van de geluidsbron.

Personen aan wie een standplaats op een der markten is toegewezen, moeten alle veiligheidsmaatregelen nemen die nodig of nuttig zijn om brand, diefstal of andere schade of verliezen te voorkomen. Zij blijven burgerlijk aansprakelijk tegenover derden voor alle ongevallen, schade of verliezen, die zijzelf of hun kramen zouden veroorzaken. Hiertegen dienen zij zich te verzekeren.

Elektriciteitsaansluiting gebeurt uitsluitend door aansluiting op de daartoe voorziene stroomverdelingskasten.

Standhouders moeten op een goed zichtbare plaats en duidelijk leesbaar in hun kraam een bord aanbrengen met de vermelding van naam, volledig adres, nummer leurkaart en ondernemingsnummer.

De prijsaanduiding van de producten en artikelen, die te koop worden aangeboden op de openbare markten, dient te gebeuren overeenkomstig de wet betreffende de handelspraktijken.

 

Artikel 15: marktregister van de vaste plaatsen per openbare markt

Een marktregister van elke toegewezen standplaats per openbare markt wordt bijgehouden met de vermelding van volgende gegevens:

  • naam, voornaam en adres van de persoon aan wie de standplaats toegewezen is. Indien de betrokkene de standplaats verkregen heeft als overnemer overeenkomstig de bepalingen in artikel 13, dan wordt deze hoedanigheid van overnemer vermeld;
  • het nummer van de kaart voor het uitoefenen van ambulante activiteiten;
  • het ondernemingsnummer;
  • het soort te koop aangeboden producten;
  • voor standwerkers de specifieke gegevens;
  • duur van het gebruiksrecht;
  • bedrag van de betaalde standplaatsvergoeding.

 

Artikel 16: personen die de standplaats kunnen innemen

De standplaatsen kunnen worden ingenomen:

  1. door de personen aan wie ze zijn toegewezen overeenkomstig artikel 9, paragraaf 1 van de wet;
  2. door de echtgenoot of echtgenote van de persoon aan wie ze werd toegewezen, voorzover deze titularis is van een machtiging tot het uitoefenen van een ambulante activiteit voor eigen rekening;
  3. door de verantwoordelijke voor het dagelijks bestuur van een rechtspersoon, andere dan degenen aan wie de standplaats werd toegewezen, voorzover zij in het bezit zijn van een machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten, overeenkomstig hun hoedanigheid;
  4. door de feitelijke vennoten, andere dan aan wie de standplaats is toegewezen, voorzover zij in het bezit zijn van een machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten voor eigen rekening;
  5. door de personen bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet, op voorwaarde dat ze in het bezit zijn van een machtiging tot het uitoefenen van ambulante activiteiten die hen machtigt om te handelen voor rekening van degene aan wie de standplaats is toegewezen;
  6. door de personen bedoeld in artikel 3, 4°, van de wet, op voorwaarde dat zij in het bezit zijn van een kaart voor ambulante activiteiten, die hen machtigt om de activiteit uit te oefenen voor de vennootschap waarvan degene die in staat voor het dagelijks beheer de standplaats toegewezen kreeg;
  7. door de personen bedoeld in de werknemers bedoeld in artikel 3, 5°, van de wet van 25 juni 1993, op voorwaarde dat ze in het bezit zijn van de kaart voor ambulante activiteiten, die hen machtigt om te handelen voor rekening van de natuurlijke persoon of de vennootschap waarvan degene die met het dagelijks beheer is belast de standplaats toegewezen kreeg, (hulpleurkaart);
  8. door de standwerkers aan wie het tijdelijk gebruiksrecht van de standplaats werd onderverhuurd, overeenkomstig de bepalingen van artikel 42 bis van de wet.

 

Artikel 17: opbouw / afbraak

  • De standplaatsen worden maximum 2 uur voor het openen van de markten ingenomen. De standplaatsen, die om 08u00 uur niet bezet zijn, kunnen door de marktleider aan een losse standhouder worden toegewezen gedurende het verloop van de marktdag. De standplaatshouder dient alle voorzorgen te nemen opdat dit zou gebeuren zonder lawaai- of milieuhinder.
  • De voertuigen, die de marktwaren aanbrengen en die het goede verloop van het marktgebeuren hinderen, dienen gelost en van de markt verwijderd voor 8 uur. Deze voertuigen moeten geparkeerd worden op de door de marktleider aangewezen plaatsen.
  • Alle verkoopsaktiviteiten dienen gestaakt bij het sluitingsuur van de markt. Het volledig marktterrein moet ontruimd zijn door alle standhouders en hun voertuigen moeten verwijderd zijn 1u15 na het beëindigen van de markt.
  • Standhouders, aan wie een standplaats op de markt is toegewezen, dienen tussen de gevels en kramen 1.50m vrij te houden. Tussen de kramen moet een ruimte van minstens 0,50 m vrij blijven. Doorgangen naar handelshuizen dienen vrij te blijven over een breedte van minimum 1,5 m.

 

Artikel 18: aansprakelijkheid marktkramer

Alle bevestigingen bij opbouw van de kraam aan stedelijke infrastructuur is verboden. Elke toegebrachte schade wordt verhaald op de marktkramer.

Elke standhouder heeft de verplichting op een positieve wijze bij te dragen tot een vlot verloop van de markt en hinder te vermijden en moet alle veiligheidsmaatregelen nemen die nodig of nuttig zijn om brand, diefstal of andere schade of verliezen te voorkomen. Hij/zij blijft burgerlijk aansprakelijk tegenover derden voor alle ongevallen, schade of verliezen die zijzelf, hun kramen of hun verwarmingstoestellen zouden veroorzaken. Hiervoor dient hij/zij zich te verzekeren.

De standhouders mogen hun standplaatsen niet verlaten om gebeurlijke kopers tegemoet te treden, hun waren aan te prijzen, aan te bieden of tot kopen aan te zetten.

 

Artikel 19: elektriciteit

Het gebruik van elektriciteit dient te gebeuren met materiaal, conform de wetgeving, en de elektriciteitsaansluiting gebeurt uitsluitend door aansluiting op de daartoe aanwezige stroomverdelingskasten. Het gebruik van elektrische verwarmingstoestellen is verboden.

Het gebruik van gastoestellen dient te gebeuren, conform de wettelijke voorschriften. Een brandblustoestel dient op de stand aanwezig te zijn.

 

Artikel 20: reiniging

Elke standhouder en zijn personeel dienen de nodige voorzorgen te nemen om het vervuilen van het marktterrein te beperken.

Bij het verlaten van de markt dient elke standhouder de hem toegewezen plaats proper achter te laten. Rondslingerend papier en vuil dienen verzameld te worden en klaar gezet voor de reinigingsdienst.

De wettelijke bepalingen op het slinger- en zwerfvuil zijn eveneens van toepassing.

 

Artikel 21: standgeld

Voor de modaliteiten inzake de betaling van het standgeld voor de inname van de openbare weg voor de markten, wordt er verwezen naar het van toepassing zijnde retributiereglement.

 

Artikel 22: sancties

Voorzover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen bepalen, worden de inbreuken op de onderhavige verordening gesanctioneerd als volgt :

  1. Niet-naleving van de bepalingen, vervat in de artikelen 7 t/m 21, worden gesanctioneerd met de tijdelijke schorsing of de volledige intrekking van de vergunning door het college van burgemeester en schepenen.
  2. Inbreuken op de overige artikelen (niet vermeld onder punt 22.1 worden bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

De richtlijnen van de marktleiding moeten strikt opgevolgd worden. Weigeren te voldoen aan de aanwijzingen en richtlijnen van de marktleider, kan bevel tot onmiddellijk verlaten van de standplaats en een eventuele uitsluiting tot gevolg hebben (conform art. 10). De standhouders kunnen eventuele klachten of vermeende onrechtvaardigheden uiten bij de marktleider of schriftelijk bezorgen aan het college van burgemeester en schepenen.

 

 

OPENBARE ORDE, VEILIGHEID EN RUST

 

Politieverordening houdende het inrichten van een perimeter bij voetbalwedstrijden van KRC-Genk

Artikel 1

Een perimeter is een geografisch omschreven zone, waarin binnen een bepaalde tijdsperiode, specifieke gebods- of verbodsbepalingen gelden met het oog op de handhaving van de openbare orde, rust en veiligheid.

 

Artikel 2

Bij alle nationale en internationale voetbalwedstrijden, zoals gedefinieerd in de voetbalwet van 21 december 1998, wordt een perimeter ingesteld en begrensd zoals aangeduid in artikel 3, waarin een toegangs- en verblijfsverbod geldt voor alle natuurlijke personen tegen wie een burgerrechtelijke, administratieve of gerechtelijke uitsluitingsmaatregel, al dan niet als beveiligingsmaatregel, genomen werd door de daartoe bevoegde overheid.

Binnen de omschrijving van de perimeter geldt een lage tolerantiedrempel ten overstaan van wangedrag van supporters en misdrijven. Het reglement van inwendige orde van de organisator van de voetbalwedstrijd geldt hier eveneens.

 

Artikel 3

De perimeter wordt geografisch omschreven als en begrensd door:

  • ten noorden: de Opglabbekerzavel, deze openbare weg inclusief, overgaand in de parking genoemd “Oud-Texas”, gematerialiseerd door de bosrand palende aan de voormalige terreinen van de Kempisch Steenkoolmijnen, exploitatiezetel Waterschei;
  • ten westen: de oostelijke buitenmuur van het gemeentelijk kerkhof van Waterschei en de lijn tussen deze muur en het voormalig stationsgebouw van Waterschei;
  • ten zuiden: de spoorlijn Winterslag-As, inclusief het voormalig stationsgebouw van Waterschei;
  • ten oosten: de bosrand palende aan de voormalige terreinen van de Kempische Steenkoolmijnen, exploitatiezetel Waterschei, vanaf de spoorweg, vernoemd in c. supra, en de parking “Oud-Texas”, genoemd in a. supra.

 

Artikel 4

De perimeter wordt ingesteld drie uren voor het aanvangsuur van de voetbalwedstrijd en wordt opgeheven twee uren nadat de wedstrijd geëindigd is.

 

Artikel 5

Teneinde het verbod van toegang en verblijf voor natuurlijke personen, bezwaard met een stadionverbod, zoals bepaald in artikel 2, te handhaven, kunnen de politieambtenaren controles doen op de toegang en, desgevallend, hindernissen aanbrengen om de toegangscontrole zo doelmatig mogelijk te laten gebeuren.

Gemandateerde en duidelijk herkenbare aangestelden van de organisator van de voetbalwedstrijd kunnen bij wedstrijden met hoog risico, bepaald door de burgemeester in samenspraak met de veiligheidsdiensten en de organisator op basis van de in te schatten risico’s, controle doen op toegangskaarten op de buitengrens van de perimeter en/of toegangsbewijzen verkopen volgens de modaliteiten van en conform de regels gesteld op het ticketbeheer.

 

Artikel 6

De politieambtenaren oefenen hun bevoegdheid uit binnen de perimeter zoals voorgeschreven door de wet op het politieambt.

Natuurlijke personen bezwaard met een stadionverbod van welke aard ook, kunnen, indien zij binnen de perimeter aangetroffen worden, bestuurlijk van hun vrijheid worden beroofd en verwijderd worden uit de zone van de perimeter. De bestuurlijke aanhouding heeft een duur zolang als noodzakelijk, met een maximumduur van twaalf uren.

 

Artikel 7

Overtredingen van deze politieverordening worden opgespoord en bij proces-verbaal vastgesteld door de beambten in artikel 6, alinea 1 en de hulpagenten van de politie.

 

Artikel 8

Inbreuken op deze politieverordening worden overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet gestraft met een administratieve geldboete van maximum € 250,00.

 

 

Politieverordening betreffende de innamevergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein

 

INHOUD

  • HOOFDSTUK I: DEFINITIES
  • HOOFDSTUK II: INNAME VAN HET OPENBAAR DOMEIN
    • A. Toepassingsgebied
    • B. Vergunningen
    • C. Algemene voorwaarden
    • D. Terrassen
    • E. Verkoopsstanden
    • F. Publiciteitspanelen
    • G. Werven en verkeersbelemmeringen
  • HOOFDSTUK III: STRAFBEPALINGEN
  • HOOFDSTUK IV: OVERGANGSBEPALINGEN

 

Hoofdstuk I : DEFINITIES

  • Artikel 1:
    • Beheerdersvergunning : De vergunning afgeleverd op basis van het gemeentelijk reglement betreffende de beheerdersvergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein door middel van een terras in Genk-centrum en de bovenlokale handelsstraten.
    • Bouwwerf : Elke tijdelijke constructie, geplaatst op het openbaar domein, welke vereist is voor de uitvoering van particuliere bouwwerken (werfafsluiting, containers, kranen, e.d.).
    • Bovenlokale handelsstraten : Omvat volgende straten : Vennestraat (even huisnummers van 54 t/m 182 en oneven huisnummers van 77 t/m 251), Hoefstadstraat (de even huisnummers van 2 t/m 22 en oneven huisnummers van 1 t/m 29), Stalenstraat (de even huisnummers van 20 t/m 106 en de oneven huisnummers van 9 t/m 185), Hoevenzavellaan (de even huisnummers van 6 t/m 68A en de oneven huisnummers van 5 t/m 107).
    • Constructie : Elk bouwwerk of mogelijke inrichting die op geen enkele wijze vastgehecht wordt aan het openbaar domein.
    • Duurzame materialen : Veilige en onderhoudsvriendelijke materialen met een lange levensduur.
    • Exploitant : De natuurlijke persoon of de rechtspersoon, die in enigerlei hoedanigheid en/of voor eigen rekening, een werkzaamheid uitoefent, die erin bestaat of er mede in bestaat een drankslijterij of een andere handelszaak te exploiteren. Met exploiteren wordt ook bedoeld het openen, het heropenen, de overname en de aanpassing van een drankslijterij of een andere handelszaak.
    • Genk-centrum : Omvat volgende straten : A.Remansstraat, Berglaan (even huisnummers 2 t/m 42 en oneven huisnummers 7 t/m 11), Bochtlaan (even huisnummers 2 t/m 16 en oneven huisnummers 1 t/m 23), Centrumlaan, Dieplaan (oneven huisnummers 1 t/m 93), Eindgracht, Europalaan (even huisnummers 40 t/m 132 en oneven huisnummers 43 t/m 109), Fruitmarkt, Grotestraat (even huisnummers 2 t/m 132 en oneven huisnummers 1 t/m 121), Hoogstraat (even huisnummers 2 t/m 64 en oneven huisnummers 3 t/m 17), Kapelstraat, Klokstraat, Marktstraat, Molenstraat (even huisnummers 2 t/m 66 en oneven huisnummers 1a t/m 81), Nieuwstraat (even huisnummers 2 t/m 64 en oneven huisnummers 3 t/m 49), Pastoor Raeymaekersstraat, Rootenstraat, Schietboomstraat, Stationsstraat, St.-Martinusplein, Weg naar As (even huisnummers 12 t/m 26 en oneven huisnummers 1 t/m 35) en Winterslagstraat (even huisnummers 4 t/m 64 en oneven huisnummers 1 t/m 83).
    • Innamevergunning : De vergunning afgeleverd op basis van onderhavige politieverordening betreffende de innamevergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein.
    • Kortstondige inname : Het innemen van het openbaar domein voor een maximum periode van 14 dagen.
    • Kwaliteitscommissie : Een commissie, bestaande uit een afvaardiging van de stedelijke Diensten Ruimtelijke Ordening en Woonbeleid, de Dienst Economie, de Dienst Markten en Foren, de Dienst Mobiliteit, de Brandweer, de Politie, het Centrum- en Winkelstraatmanagement, de schepen van ruimtelijke ordening en woonbeleid en de Dienst Evenementen.
    • Deze commissie zal een gemotiveerd advies verlenen over elke terrasaanvraag in Genkcentrum of de bovenlokale handelsstraten. Ook kan aan deze commissie advies gevraagd worden in verband met allerhande innames van het openbaar domein.
    • Langdurige inname : Het innemen van het openbaar domein voor een periode van minimum 14 dagen.
    • Openbaar domein: De gehele wegeninfrastructuur, beheerd door een bestuurlijke overheid en toegankelijk voor het publiek.
    • Publiciteitspaneel : Elke constructie, geplaatst op het openbaar domein, met aanduiding of verwijzing naar de producten of diensten, die in de aanpalende handelszaak worden aangeboden.
    • Stedenbouwkundige vergunning: Een vergunning, die afgeleverd wordt in het kader van het decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999 met zijn wijzigingen.
    • Terras : Elke inname van het openbaar domein, die als open uitbreiding van een HORECA-uitbating dient, bestaande uit o.a. losstaande tafels, stoelen, banken, parasols, verhoogde vloeren, afschermingen, verwarmingselementen, plantenbakken en dergelijke.
    • Verkoopsstand : Elke mobiele en manueel bediende stand, geplaatst op het openbaar domein, waaraan producten of diensten verkregen of verkocht kunnen worden.
    • Vlarem I : Het besluit van 6 februari 1991 van de Vlaamse Executieve houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de besluiten van 27 februari 1992, 28 oktober 1992, 27 april 1994 en 1 juni 1995.
    • Vlarem II : Het besluit van 1 juni 1995 van de Vlaamse Executieve houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne.
    • Werfinrichtingsplan : Een uittreksel uit het veiligheids- en gezondheidsplan, opgesteld door een veiligheidscoördinator, met aanduiding van de inrichting van de zone van het ingenomen openbaar domein, omvat al de maatregelen, die getroffen moeten worden ter beveiliging van de weggebruiker.
    • Zonnezeil : Een uitgespannen, oprolbaar zeil tot bescherming tegen felle zon en bevestigd tegen een gevel. Hiervoor is een stedenbouwkundige vergunning vereist.

 

Hoofdstuk II : INNAME VAN HET OPENBAAR DOMEIN

  • A.TOEPASSINGSGEBIED :
    • Artikel 2:

De bepalingen van deze verordening zijn van toepassing op het volledige grondgebied van de stad Genk.

 

  • B.VERGUNNINGEN :
    • Artikel 3: Niemand mag zonder schriftelijke vergunning van de burgemeester of zijn gevolmachtigde het openbaar domein innemen voor het plaatsen van eender welke constructie.
      Ingeval het een constructie betreft langs een gewestweg, moet voorafgaand een vergunning worden bekomen van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, administratie Wegeninfrastructuur en Verkeer.
      Ingeval het een terras betreft in Genk-centrum of in de bovenlokale handelsstraten, is bovendien het ‘gemeentelijke reglement betreffende de beheerdersvergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein d.m.v. een terras’ van toepassing. Deze vergunningsaanvraag wordt in dit geval voor advies voorgelegd aan de Kwaliteitscommissie.
      De beheerdersvergunning voor de wijze van ingebruikneming wordt afgeleverd na een beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Genk.
    • Artikel 4: De aanvraag voor een vergunning “ingebruikneming van het openbaar domein” – de innamevergunning - moet door de belanghebbende zelf aangevraagd worden bij het Stadsbestuur – Dienst Ruimtelijke Ordening en Woonbeleid, Dieplaan 2 te 3600 Genk :
      • ten laatste één maand voor de gewenste datum van langdurige ingebruikname van de constructie(s);
      • ten laatste 10 werkdagen voor de gewenste datum van kortstondige ingebruikname van de constructie(s).
    • Artikel 5:
      • De aanvraag gebeurt door middel van het daartoe ter beschikking gestelde standaardformulier.
      • Dit aanvraagformulier wordt opgesteld in drievoud, behoorlijk ingevuld en ondertekend en moet vergezeld zijn van :
        • een duidelijke situatietekening (door markering van de betreffende plaats op een officieel stratenplan);
        • een gedetailleerd inplantingplan op schaal van 1/50 of 1/100, waarop alle te plaatsen voorwerpen zijn ingetekend met vermelding van de afmetingen van de ingebruikname van het openbaar domein en aanduiding van alle hindernissen aangebracht in een zone van minimum 2 meter rond de gevraagde oppervlakte;
        • een beschrijving (en evt. foto of afbeelding) van het aantal, de aard, de kleur, de materialen en afmetingen van alle voorwerpen: dit moet toelaten een duidelijk beeld te vormen van wat wordt beoogd;
        • minstens 1 relevante foto van de in gebruik te nemen oppervlakte en het aangrenzend pand of gebied;
        • een plaatsbeschrijving van het openbaar domein met vermelding van eventuele gebreken (gestaafd door fotomateriaal). Indien deze plaatsbeschrijving ontbreekt, wordt het openbaar domein in een goede staat geacht.
      • Alle aanvragen, die niet de vermelde bijlagen bevatten, zijn ongeldig en kunnen niet behandeld worden zolang het dossier niet volledig is.
      • Elke aanvraag zal onderworpen worden aan de adviezen van de diensten, die nodig geacht worden.
    • Artikel 6: Indien er zich na afgifte van de vergunning een wijziging voordoet met betrekking tot de persoon van de exploitant/vergunninghouder, van de handelszaak, de ingenomen oppervlakte, de aard van de elementen of de herinrichting van het openbaar domein, dient er een nieuwe aanvraag te gebeuren.
    • Artikel 7:
      • De innamevergunning wordt steeds ten voorlopige titel afgeleverd. De vergunning wordt dus precair en herroepbaar afgegeven, in de vorm van een persoonlijke en onoverdraagbare titel, die de stad en/of het gewest niet aansprakelijk stelt en behoudens rechten van derden.
      • De innamevergunning kan op ieder ogenblik bij een besluit van de burgemeester of door de overheid, die ze afleverde, worden opgeschort, ingetrokken of gewijzigd wanneer het algemeen belang dit vereist, o.a. na elke vaststelling van hinder zoals geluidshinder, overlast en dergelijke.
      • Bij gevaar of belemmering van de openbare orde moet de constructie onmiddellijk worden verwijderd op het eerste verzoek van de politie en/of de hulpdiensten.
      • De kosten voor de ontruiming van de constructies zijn ten laste van de vergunninghouder en kunnen niet verhaald worden op de overheid.
      • Ingeval een constructie niet wordt geplaatst volgens de afgeleverde vergunning, dient de plaats onmiddellijk in de oorspronkelijke staat hersteld te worden. Indien de overtreder nalaat deze werken uit te voeren, zullen zij uitgevoerd worden door de stad. Alle kosten vallen ten laste van de overtreder, onafgezien van burgerlijke en strafrechtelijke vervolging.
      • De vergunninghouder of diens aangestelde zal tijdens de normale openingsuren steeds aan de bevoegde diensten toelating geven voor controle en bezichtiging van de inrichting of installatie en hij zal de vergunning op ieder verzoek moeten voorleggen.
      • De burgemeester van de stad behoudt het recht om in de innamevergunning beperkende voorwaarden op te leggen, die toelaten om andere activiteiten (markten, stoeten, braderieën en dergelijke) te organiseren.
    • Artikel 8: Ingeval een constructie geplaatst wordt zónder vergunning, dient de plaats onmiddellijk in de oorspronkelijke staat hersteld te worden. Indien de overtreder nalaat deze werken uit te voeren, zullen zij uitgevoerd worden door de stad. Alle kosten vallen ten laste van de overtreder, onafgezien van burgerlijke en strafrechtelijke vervolging.

 

  • C. ALGEMENE VOORWAARDEN:
    • Artikel 9:
      • Elke ingebruikname van het openbaar domein moet gebeuren volgens de verkregen vergunning(en) en bijhorend inplantingsplan, zoals afgeleverd door de stad Genk.
      • Er kan slechts tot plaatsing van constructies voor terrassen, verkoopsstanden en publiciteitspanelen worden overgegaan nàdat de afbakening van de inname op het terrein, conform het vergunde plan, werd gemarkeerd. Deze markering gebeurt door middel van merktekens, aangebracht door de Technische Diensten van de stad.
      • De vergunninghouder blijft steeds verantwoordelijk voor een correcte plaatsing van de vergunde constructie. De toegelaten inrichting dient steeds in een goede en verzorgde staat onderhouden te worden en voorzien te worden van de nodige signalisatie en verlichting volgens de voorschriften in de wet, in deze verordening en op de vergunning vermeld.
      • Samen met de vergunning voor terrassen, verkoopsstanden en publiciteitspanelen, wordt een sticker afgeleverd, die duidelijk zichtbaar vanaf de openbare weg bevestigd moet worden op de vergunde constructie. Voor de winterterrassen wordt een aparte sticker afgeleverd.
    • Artikel 10: Onmiddellijk na het verstrijken van de vergunde termijn of het vervallen van de vergunning, moeten alle constructies volledig worden weggenomen en moet het openbaar domein onmiddellijk hersteld worden in de staat waarin het zich bevond vóór de ingebruikname.
    • Artikel 11: De vergunning wordt op naam van de aanvrager afgeleverd. Overdracht aan derden kan enkel na een nieuwe volledige aanvraag, ondertekend door de nieuwe aanvrager.
    • Artikel 12:
      • De toegangen tot particuliere en openbare gebouwen moeten steeds vrij blijven over de gehele breedte.
      • De aanduidingen en de installaties van openbaar of algemeen nut moeten altijd vrij blijven en goed bereikbaar zijn.
      • De inname van het openbaar domein is beperkt tot de ruimte voor de eigen handelszaak en kan nooit breder zijn dan de breedte van de gevel van de handelszaak, behoudens bijzondere toelating van de burgemeester.
      • Zonder schriftelijke toestemming van de eigenaar of huurder van het aangrenzend pand, moet er minstens een vrije ruimte van 1 meter zijn tussen de op te richten constructie en het aangrenzend handelspand.
      • Op het openbaar domein, ten behoeve van de voetganger, dient te allen tijde een vrije doorgang van 1m50 breedte behouden te worden over de volledige breedte van de inname.
      • Als de inname van het openbaar domein een zone op de rijweg betreft, moet ter hoogte hiervan voldoende ruimte worden vrijgelaten om het verkeer gemakkelijk door te laten. Een minimum vrije doorgang van 4m is steeds vereist in een straat met eenrichtingsverkeer, en 5m in elke andere straat. Deze doorgang mag op geen enkel moment worden verminderd door uitstekende delen of welke obstakels dan ook. Installaties van openbaar of algemeen nut moeten te allen tijde goed bereikbaar zijn.
      • Ingeval van een bijzondere inrichting of ligging van het openbaar domein, wordt de inname van het openbaar domein en de afstand, die moet vrijgehouden worden, bepaald door de burgemeester.
      • De burgemeester behoudt zich het recht voor om hierop een afwijking toe te staan mits betrokkene hierom expliciet vraagt in een met redenen omkleed verzoek dat opgenomen moet worden in de aanvraag of zo een afwijking zich omwille van veiligheidsredenen opdringt.
    • Artikel 13:
      • Elke op te richten constructie kan enkel toegestaan worden indien deze is samengesteld uit duurzame materialen. Voorkeur wordt gegeven aan meubelen gemaakt uit natuurlijke materialen en/of materialen waarvan de milieubelasting minimaal is rekening houdende met de ontginning, de verwerking van de grondstoffen, het productieproces en het transport.
      • De inrichtingen worden op geen enkele manier bevestigd, gekoppeld, aangesloten aan of gesteund door openbare of andere private eigendommen of openbare nutsvoorzieningen. Ze mogen geen schade veroorzaken aan openbare- of privé-eigendommen, noch hinder of gevaar vormen voor personen en/of voertuigen.
      • Bij eventuele gebeurlijke schade aan het openbaar domein, zal deze door de stad hersteld worden na tegensprekelijke schadevaststelling. Alle kosten hiervan zullen aan de vergunninghouder doorgerekend worden. Overeenkomstig artikel 5 van deze verordening, wordt er bij aanvang van de ingebruikname van het openbaar domein steeds een plaatsbeschrijving opgemaakt.

 

  • D. TERRASSEN :
    • Bij dergelijke aanvragen is het “GEMEENTELIJK REGLEMENT betreffende de beheersvergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein door middel van een terras in Genk-Centrum en de bovenlokale handelsstraten” van toepassing.
    • Artikel 14:
      • Voor het afleveren van een innamevergunning wordt een onderscheid gemaakt tussen een zomer- of winterterras.
      • De vergunning/uitbating van een zomerterras is enkel toegestaan van 1 maart tot en met 1 november. Dit terras moet voor 9 november van het lopende jaar volledig zijn opgeruimd.
      • De vergunning/uitbating van een winterterras kan toegestaan worden van 2 november tot eind februari van het volgende jaar. Dit terras moet voor 9 maart van dat lopende jaar volledig zijn opgeruimd.
      • Een winterterras is enkel toegelaten in Genk-centrum en de bovenlokale handelsstraten, waar ‘het gemeentelijke reglement betreffende de beheerdersvergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein d.m.v. een terras’ eveneens van toepassing is.
      • De innamevergunning voor het winterterras is enkel geldig voor het terrasgedeelte dat het dichtst bij de gevel van de horecazaak gelegen is en kan volgens een ander inplantingsplan dan dat van het zomerterras geplaatst (moeten) worden.
      • Het winterterras dient effectief uitgebaat te worden; het mag niet enkel gebruikt worden voor het stapelen van allerhande zaken (als opslagplaats).
    • Artikel 15: Bij de ingebruikneming van parkeerhavens moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:
      • bij parkeerplaatsen in de langsrichting, maximum 2 parkeerhavens per terras, in te nemen met inachtname van een afstand van min. 1 meter tot de volgende parkeerhaven en beperkt tot de gevelbreedte van het pand;
      • bij schuin- of dwarsparkeerplaatsen, maximum 3 parkeerplaatsen per terras, in te nemen met inachtname van een afstand van min. 0,5 meter tot de naastliggende parkeerhaven en beperkt tot de gevelbreedte van het pand;
      • het terras dient uitgerust met voldoende reflectoren.
    • Artikel 16: Er mogen alleen vergunde losse tafels, stoelen, banken en parasols binnen de toegekende terraszone geplaatst worden. Alle andere uitrustingen, zoals verlichtings- en verwarmingselementen, aankondigingborden, verhoogde vloeren e.d., moeten tevens expliciet vermeld zijn in de vergunning.
    • Artikel 17:
      • Het plaatsen van een terrasafscherming wordt toegelaten op voorwaarde dat deze :
        • maximum 1m80 hoog zijn;
        • vanaf minstens 70 cm boven het terras bestaan uit doorzichtig, ongetint veiligheidsglas of kwaliteitsvol doorzichtig, ongetint plexiglas en dergelijke. Een uitzondering hierop vormen de bloembakken, die voldoen aan de bepalingen van ‘het gemeentelijke reglement betreffende de beheerdersvergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein d.m.v. een terras’: deze mogen maximum 90 cm hoog zijn;
        • altijd verplaatsbaar en stabiel zijn;
        • geen tekst noch reclame vermelden met uitzondering van prijsaankondigingen, menu’s en naamsvermelding van de desbetreffende handelszaak;
        • nooit de veiligheid in gevaar brengen;
        • uitdrukkelijk in de vergunning voorzien is.
      • Het plaatsen van een verlichtingselement op de terrassen wordt toegelaten op voorwaarde dat het verlichtingsniveau laag gehouden wordt, zodanig dat de nevenliggende panden hiervan geen hinder ondervinden.
      • De verlichting dient verantwoord te zijn in verhouding met het gebruik van het terras en zijn omgeving en de plaatsing moet uitdrukkelijk in de vergunning vermeld zijn
      • Het plaatsen van een zonnezeil wordt toegelaten op voorwaarde dat :
        • hiervoor een stedenbouwkundige vergunning bekomen is;
        • deze opgebouwd wordt uit inschuifbaar of oprolbaar zeildoek;
        • tussen de verticale afscherming en het zonnezeil een gemiddelde opening van één meter gelaten wordt.
      • Het plaatsen van verwarmingselementen wordt toegelaten op voorwaarde dat :
        • deze worden voorzien binnen de afgebakende zone of tegen de gevel;
        • deze brandveilige en technisch goedgekeurde toestellen zijn;
        • deze uitdrukkelijk werden opgenomen in de vergunning.
      • Verhoogde vloeren worden in principe niet toegestaan. Enkel indien de inrichting van het openbaar domein zonder verhoogde vloer geen terras toelaat, kan hierop een uitzondering worden toegestaan. De hoogte dient minimaal gehouden te worden en de afwerking dient kwaliteitsvol te gebeuren. Men dient bovendien de toegankelijkheid voor mindervaliden, binnen de toegestane ruimte, te garanderen.
      • Verhoogde vloeren zijn enkel vergund indien deze uitdrukkelijk in de vergunning werden opgenomen.
    • Artikel 18: De vergunninghouder blijft steeds verantwoordelijk voor een correcte plaatsing, zelfs als het terrasmeubilair door klanten werd verplaatst. Eveneens zal het aantal stuks van het uitgezette meubilair nooit groter zijn dan hetgeen, in volledig bezette toestand, binnen de toegewezen ruimte is vergund. Zie art. 8.
    • Artikel 19:
      • Het sluitingsuur van de terrassen is bepaald op 01.00 uur. De burgemeester kan toestemming geven om tijdens bijzondere evenementen het sluitingsuur van de terrassen uit te stellen.
      • De vergunninghouder is te allen tijde verplicht om, onmiddellijk na het verstrijken van het sluitingsuur, het terras te ordenen en alle eventuele afval te verwijderen op en in de onmiddellijke omgeving van het terras. Het opruimen van het terras dient zo geluidsarm mogelijk te gebeuren, teneinde de nachtrust niet te storen.
      • Tafels, stoelen, banken en parasols moeten dagelijks binnengehaald, tenzij ze ordelijk en op een zo beperkt mogelijke oppervlakte binnen de vergunde terraszone gestapeld of bij elkaar gezet kunnen worden.
      • Verwarmingselementen, bestaande uit butaan- en propaangas in flessen, mogen niet binnengehaald worden na sluitingstijd, maar dienen zodanig geplaatst en vergrendeld te worden dat ze ontoegankelijk zijn en niet beschadigd kunnen worden.

 

  • E. VERKOOPSSTANDEN
    • Artikel 20: De plaatsing van verkoopsstanden moet steeds gebeuren binnen de aangeduide zone van het bij de vergunning gevoegde inplantingsplan.
    • Artikel 21:
      • De verkoopsstanden mogen slechts worden geplaatst tijdens de openingsuren van de handelszaak.
      • De vergunninghouder is te allen tijde verplicht om, onmiddellijk na het verstrijken van het sluitingsuur, de verkoopsstand op te ruimen en te verwijderen, alsmede alle eventuele afval ter plaatse én in de onmiddellijke omgeving van de verkoopsstand op te ruimen.
    • Artikel 22: Indien er voor dezelfde handelszaak ook een terrasvergunning werd afgeleverd, moet de verkoopsstand binnen de afgebakende zone van het terras geplaatst worden, zoals aangegeven op het vergunde inplantingsplan.

 

  • F. PUBLICITEITSPANELEN
    • Artikel 23: Er wordt maximaal één publiciteitspaneel toegestaan per toegang van de handelszaak.
    • Artikel 24:
      • De plaatsing moet gebeuren binnen de aangeduide zone van het bij de vergunning gevoegde inplantingsplan.
      • Het publiciteitspaneel dient zodanig geplaatst te worden dat zij de minste hinder vormt voor de voetgangers.
    • Artikel 25: Zware constructies dienen voorzien te worden van wieltjes om de borden zo gemakkelijk mogelijk te verplaatsen bij de reiniging van de stoepen.
    • Artikel 26: De inname voor een publiciteitspaneel mag een grondoppervlakte van 0,80 meter bij 0,60 meter niet overschrijden.
    • Artikel 27:Het publiciteitspaneel mag slechts worden geplaatst tijdens de openingsuren van de handelszaak. De vergunninghouder is verplicht onmiddellijk na het verstrijken van het sluitingsuur het publiciteitspaneel op te ruimen en te verwijderen.
    • Artikel 28: Indien er voor dezelfde handelszaak ook een terrasvergunning of een vergunning voor het plaatsen van een verkoopsstand werd afgeleverd, moet het vergunde publiciteitspaneel met verwijzing naar de verkochte producten of geleverde prestaties, binnen de afgebakende zone van het terras/de verkoopsstand geplaatst worden.

 

  • G. WERVEN EN VERKEERSBELEMMERINGEN
    • Artikel 29:
      • De plaatsing van vergunde constructies moet gebeuren binnen de aangeduide zone van het bij de vergunning gevoegde inplantingplan.
      • De constructies dienen zodanig geplaatst te worden dat deze de minste hinder vormen voor de voetgangers of in voorkomend geval voor alle andere weggebruikers.
    • Artikel 30: Voor de bouwwerven, waarvoor een veiligheids- en gezondheidsplan vereist zijn en die langer duren dan twee maanden, dient er een werfinrichtingsplan bij de aanvraag gevoegd te worden.
    • Artikel 31: De vergunninghouder is verplicht om het openbaar domein zo beperkt mogelijk (in tijd en ruimte) in te nemen en zal, zodra de werken beëindigd zijn of zodanig gevorderd zijn dat de inname niet meer noodzakelijk is, het openbaar domein ontruimen en eventueel herstellen in de staat waarin deze zich bevond bij aanvang van de inname en/of zoals vermeld in de plaatsbeschrijving.
    • Artikel 32: Voor langdurige werven kan, in specifieke gevallen, opgelegd worden om de werf af te schermen met nadar en ondoorzichtig zeildoek, zodat de werf aan het zicht wordt ontrokken om zo een ordelijk straatbeeld te verkrijgen. Dit wordt dan ook uitdrukkelijk in de vergunning vermeld.

 

Hoofdstuk III : STRAFBEPALINGEN

  • Artikel 33:

Overtredingen van de bepalingen van hoofdstuk II van onderhavige verordening kunnen vastgesteld worden door politieambtenaren, hulpagenten en ambtenaren aangesteld door de gemeenteraad in het kader van art. 119 bis van de nieuwe gemeentewet.

 

  • Artikel 34:

Voorzover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen of verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken op deze verordening als volgt gesanctioneerd:

  • Inbreuken op artikelen 6,7,12,13, 29, 30 en 31 zullen gesanctioneerd worden met de schorsing of intrekking van de vergunning, opgelegd door het college van burgemeester en schepenen.
  • Inbreuken op de overige artikelen van deze verordening, zullen gesanctioneerd worden met een administratieve geldboete, opgelegd door de hiertoe aangestelde ambtenaar, conform de procedure vervat in artikel 119bis.
  • De omvang van de administratieve geldboete zal proportioneel zijn in functie van de ernst van de inbreuk, die de boete verantwoordt en van eventuele herhaling. De boete zal ongeacht de omstandigheden alleszins het bedrag van het wettelijke voorziene maximum van 250,00 EUR niet overschrijden.

 

  • Artikel 35:

Vanaf het verstrijken, de schorsing/intrekking van de vergunning moet de overtreder onverwijld de betreffende constructie verwijderen, zoniet zal het bevel gegeven worden om de constructie te laten verwijderen door de overheid en steeds op kosten van de overtreder.

Na intrekking van de vergunning en na herstel van de overtreding kan een nieuwe vergunning aangevraagd worden overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. Na een weigering van de vergunning kan maximaal 3 maal een nieuwe aanvraag worden ingediend.

 

Hoofdstuk IV : OVERGANGSBEPALINGEN

  • Artikel 37

De overgangsbepalingen zoals bepaald bij politieverordening betreffende innamevergunning en het in gebruik nemen van het openbaar domein d.d. 21.04.2005 blijven van toepassing.

 

 

Politieverordening betreffende de ingebruikneming van het openbaar domein bij jaarlijks terugkerende evenementen.

 

Artikel 1:

Jaarlijks worden onderstaande manifestaties georganiseerd:

  1. Mei-feesten – op 1 mei – Genk centrum: Europalaan, Bochtlaan, Kapelstraat, Schietboomstraat, Pastoor Raeymaekersstraat, Albert Remansstraat, Burgemeester Gerard Bijnenslaan, Berglaan, Hoogstraat, Nieuwstraat, Kempenlaan, Koningin Astridlaan, Guido Gezellelaan, Stichelberglaan, D’Ierdstraat, Stationsstraat, Molenstraat, Rootenstraat, Klokstraat, Marktstraat, Fruitmarkt, Winterslagstraat, Grotestraat, Centrumlaan, Sint-Martinusplein, Kattebergstraat, Steeneikstraat, Dieplaan, Eindgracht, Hooiplaats, Jaarbeurslaan, Rozenkranslaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. Grote Markt, parking stadhuis, parkings shoppingcentra, enz.
  2. Genk on ice – (december tot medio januari) - Genk centrum: Europalaan, Kapelstraat, Schietboomstraat, Stationsstraat, Rootenstraat, Klokstraat, Marktstraat, Fruitmarkt, Winterslagstraat, Centrumlaan, Sint-Martinusplein, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. Grote Markt, parking stadhuis, parkings shoppingcentra, enz.
  3. Carnavalsviering en –stoeten : die tot op heden plaatsvinden van vrijdag tot en met dinsdag voor Aswoensdag: Europalaan, Bochtlaan, Kapelstraat, Schietboomstraat, Pastoor Raeymaekersstraat, Albert Remansstraat, Burgemeester Gerard Bijnenslaan, Berglaan, Hoogstraat, Nieuwstraat, Kempenlaan, Koningin Astridlaan, Guido Gezellelaan, Stichelberglaan, D’Ierdstraat, Stationsstraat, Molenstraat, Rootenstraat, Klokstraat, Marktstraat, Fruitmarkt, Winterslagstraat, Grotestraat, Centrumlaan, Sint-Martinusplein, Kattebergstraat, Steeneikstraat, Dieplaan, Eindgracht, Hooiplaats, Jaarbeurslaan, Gildelaan, Rozenkranslaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. Grote Markt, parking stadhuis, parkings shoppingcentra, enz.
  4. Sinterklaasfeest – tussen medio november en 6 december – omgeving Limburghal: Jaarbeurslaan, Centrumlaan, Eindgracht, Cyclistenlaan –Europalaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. parking Hooiplaats, parking Limburghal, enz.
  5. Muziek in de stad – wekelijks één avond in juli en augustus – evenementenplein naast stadhuis, tot op heden op dinsdagavond. Jaarbeurslaan, Eindgracht, Centrumlaan, Cyclistenlaan –Europalaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. parking Hooiplaats, parking Limburghal, enz.
  6. Limburgse Zondagsmarkt – elke zondag in juli en augustus – Genk centrum: Europalaan, Kapelstraat, Schietboomstraat, Pastoor Raeymaekersstraat, Hoogstraat, Stationsstraat, Molenstraat, Rootenstraat, Klokstraat, Marktstraat, Fruitmarkt, Winterslagstraat, Centrumlaan, Sint-Martinusplein, Kattebergstraat, Dieplaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. Grote Markt, parking stadhuis, parkings shoppingcentra, enz.
  7. St.- Martinusviering – elk jaar de zaterdag na 3 november – Genk-centrum: Europalaan, Berglaan, Hoogstraat, Stationsstraat, Molenstraat, Rootenstraat, Klokstraat, Marktstraat, Fruitmarkt, Winterslagstraat, Grotestraat, Eindgracht, Centrumlaan, Sint-Martinusplein, Kattebergstraat, Steeneikstraat, Dieplaan, Hooiplaats, Jaarbeurslaan, Rozenkranslaan, alsook alle private en openbare parkings en pleinen, gelegen aan of langs bovenvermelde straten, zoals o.a. Grote Markt, parking stadhuis, parkings shoppingcentra.

 

Artikel 2: Standplaatsen markten, straten en pleinen.

  1. Aanvragen tot het bekomen van een vergunning voor het inrichten van een standplaats dienen gericht aan de burgemeester.
  2. De standplaatsen moeten bezet worden door de vergunninghouder zelf. De toegewezen standplaats kan onder geen enkel beding worden afgestaan aan een derde voor uitbating.
  3. De personen aan wie een standplaats is toegewezen, moeten zich steeds schikken naar de aanwijzingen en richtlijnen van de verantwoordelijke van de organisatie, daartoe aangesteld door het stadsbestuur, of naar deze van de politie, en desgevallend van de brandweer.
  4. Het is voor iedereen, ook voor de gevestigde handelaars, die met hun vestiging niet rechtstreeks aan de openbare weg grenzen, verboden buiten de toegewezen standplaatsen daden van kopen of verkopen te stellen binnen de straten en pleinen, zoals hoger beschreven.
  5. De waren dienen in de straten zo opgesteld te worden dat, rekening houdend met de meest vooruitstekende delen, de voorkant van de rijen een rechte lijn vormt. Tussen de rijen dient uit veiligheidsoverwegingen een vrije doorgang te zijn van 4,50 m breed en 4,50 m hoog.
  6. Geen enkele standplaats, zowel in de straten als op de markten of pleinen, mag worden ingenomen dan na toewijzing door de verantwoordelijke voor de organisatie, aangesteld door het stadsbestuur.
  7. De personen, die weigeren hieraan te voldoen, zullen op bevel van de burgemeester, door de politie verplicht worden de standplaats onmiddellijk op te ruimen. Indien zij weigeren dit bevel op te volgen zullen zij ambtshalve op hun eigen kosten en risico met alle middelen, die hiervoor nodig mochten blijken, van de straten en pleinen verwijderd worden.

 

Artikel 3: Innemen van openbaar domein voor verkoopstanden door de aangelande handelaars.

  1. De standplaatsen kunnen, na aanvraag bij de organiserende instantie, worden toegewezen mits naleving van de wetsbepalingen inzake ambulante handel en na goedkeuring door de burgemeester.
  2. De standplaatsen moeten bezet worden door de vergunninghouder zelf. De toegewezen standplaats kan onder geen enkel beding worden afgestaan aan een derde voor uitbating.
  3. De personen aan wie een standplaats is toegewezen, moeten zich steeds schikken naar de aanwijzingen en richtlijnen van de verantwoordelijke van de organisatie, daartoe aangesteld door het stadsbestuur, of naar deze van de politie, en desgevallend van de brandweer.
  4. De personen, die weigeren hieraan te voldoen, zullen op bevel van de burgemeester, door de politie verplicht worden de standplaats onmiddellijk op te ruimen. Indien zij weigeren dit bevel op te volgen zullen zij ambtshalve op hun eigen kosten en risico met alle middelen, die hiervoor nodig mochten blijken, van de straten en pleinen verwijderd worden.

 

Artikel 4: Verkoop van waren.

  1. Behoudens de bepalingen van artikel 5.5° van de wet op de ambulante handel van 25 juni 1993, mogen enkel verkoopsdaden worden gesteld van goederen of materialen, waarvoor een vergunning werd afgeleverd door de gemeentelijke overheid, voorzover ze niet strijdig zijn met de wetten en besluiten hierop van toepassing.
  2. De personen, die weigeren hieraan te voldoen en waren te koop stellen die verboden zijn, zullen op bevel van de burgemeester door de politie verplicht worden de standplaats onmiddellijk te verlaten. Indien zij weigeren dit bevel op te volgen, zullen zij ambtshalve en op eigen kosten en risico, met alle middelen die hiervoor nodig mochten blijken, van de markt, pleinen of straten verwijderd worden.

 

Artikel 5:

  1. Personen aan wie een standplaats op één der markten, pleinen of straten is toegewezen, moeten het afval van koopwaren of verpakkingen verzamelen en degelijk verpakt op hun standplaats achterlaten.
  2. Ieder persoon aan wie een standplaats op de markt is toegewezen, is zelf verantwoordelijk voor de reinheid van zijn plaats.

 

Artikel 6:

  1. Voertuigen voor het laden en lossen van koopwaren mogen niet langer dan nodig op de markten, pleinen of in de straten blijven staan.
  2. Voertuigen die, niettegenstaande de bepalingen van artikel 6.1., blijven staan, kunnen door de politie ambtshalve en op kosten en risico van de eigenaar worden verplaatst.
  3. Het is verboden op de wegen rondom de markten, pleinen en op de doorgangen tussen de kramen het verkeer te hinderen of onveilig te maken door er voertuigen te laten stilstaan of te parkeren, door er kramen op te richten, door er goederen of voorwerpen achter te laten of te plaatsen, door er rook of stoom te verspreiden, door er constructies op te richten of door er enige handeling te verrichten die de goede gang van de organisatie zou kunnen belemmeren.
  4. Tijdens de openingsuren van de manifestaties is het voor de fietsers en bromfietsers verboden te rijden op de toegangen naar de markten, pleinen en de straten en op de doorgangen tussen de kramen. Het is er eveneens verboden voertuigen aan de hand te leiden. Zijn niet verboden: kinderwagens, wagentjes voor mindervaliden of voertuigen van de organiserende instanties, hulp- en veiligheidsdiensten.

 

Artikel 7: Andere manifestaties.

Op de markt, in de straten en op de pleinen is verboden:

  1. Het houden van betogingen, politieke meetings, samenscholingen,stoeten, het voeren van reclame, in welke vorm dan ook, behoudens schriftelijke en voorafgaandelijke toelating van de burgemeester.
  2. Het op touw zetten van organisaties zonder schriftelijk akkoord van de burgemeester en die zouden kunnen afbreuk doen aan of hinderend zijn voor de geest van de organisatie inzake muziek en culinaire happening.

 

Artikel 8: Overtredingen.

  1. Inbreuk op de beschikkingen van onderhavige verordening kunnen vastgesteld worden door de leden van de lokale politie, inclusief hulpagenten en de daartoe aangestelde ambtenaren.
  2. Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

 

RESERVATEN EN RECREATIEGEBIEDEN

 

Politieverordening m.b.t. het recreatiegebied Molenvijver-Heempark

 

Artikel 1:

Onder toepassing van de bepalingen van onderhavige verordening valt het gebied Molenvijver-Heempark, begrensd door:

  • ten noorden: Europalaan;
  • ten westen: Albert Remansstraat;
  • ten oosten: Oosterring;
  • ten zuiden: Molenstraat, Hoogzij en doorsneden door de Mezerikstraat;

 

Artikel 2:

  1. Dit gebied heeft een recreatief karakter en is enkel toegankelijk voor voetgangers, met uitzondering van de Mezerikstraat.
  2. Voor de toepassing van artikel 2.1. wordt onder ‘voetgangers’ tevens verstaan: de personen die een fiets, een tweewielige bromfiets, een kruiwagen, een kinderwagen, een rolstoel of een wagen voor mindervaliden, of enig voertuig zonder motor dat geen bredere ruimte dan de voor voetgangers vereiste ruimte nodig heeft, aan de hand leiden.
  3. De parkeerplaatsen aan het Molenvijverpark-Heempark blijven toegankelijk voor ieder persoon of ieder voertuig.
  4. Het gebied blijft steeds toegankelijk voor de voertuigen van de veiligheids- en onderhoudsdiensten.

 

Artikel 3:

In dit gebied is het verboden:

  • een voertuig te laten stilstaan of te parkeren, behalve op de daartoe voorziene parkeerplaatsen;
  • te kamperen of de nacht door te brengen in auto’s, caravans, woon- of campingwagens op plaatsen die daartoe niet zijn ingericht;
  • stoeten, reclametochten, betogingen, samenscholingen of andere manifestaties te houden, behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming van de burgemeester;
  • sportwedstrijden, inzonderheid snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten of –wedstrijden te houden, behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming van de burgemeester;
  • enige belemmering aan te brengen of activiteiten te verrichten die de rust zouden kunnen verstoren met uitzondering van onderhoudswerken of activiteiten die voorafgaandelijk vergund werden door het college van burgemeester en schepenen;
  • ambulante handel, zoals bedoeld in de wet van 25 juni 1993, uit te oefenen; aan deze bepaling is niet onderworpen: de verkopen in het kader van salons, handels- of landbouwbeurzen en kunsttentoonstellingen, georganiseerd door de gemeenteoverheid of met haar toestemming, en die tot doel hebben de lokale handel te bevorderen;
  • de rust te verstoren door middel van draagbare radiotoestellen, muziekrecorders of enig ander elektronisch toestel, behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming van de burgemeester;
  • bomen, struiken of gewassen weg te nemen, te beschadigen of te vernielen, behalve indien dit gebeurt in het kader van het parkbeheer;
  • gelijk welke voorwerpen of stoffen in dit gebied achter te laten, te laten vallen, te plaatsen of weg te werpen;
  • vogels te vangen, hun eieren of nesten te vernielen of te roven, uitgezonderd indien dit gebeurt in het kader van het parkbeheer;
  • in de winter het ijs te betreden zonder toestemming van de gemeentelijke overheid;
  • zich buiten de wandelpaden te begeven;
  • honden los te laten lopen;
  • te zwemmen of te baden;
  • watersprot te beoefenen zonder toestemming van het college van burgemeester en schepenen;

 

Artikel 4:

Omwille van de verkeersveiligheid is elke vorm van ambulante handel verboden in de Mezerikstraat. Indien deze openbare weg wordt afgesloten voor het openbaar verkeer, kunnen er activiteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 3.f van deze verordening.

 

Artikel 5:

Verkeerstekens aangebracht binnen dit gebied hebben dezelfde betekenis als aangegeven door het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer.

 

Artikel 6:

  1. Vissen in de Molenvijver is toegelaten zonder visverlof, op voorwaarde dat men zich houdt aan de hierna vermelde bepalingen.
  2. Onverminderd de verbodsbepalingen voorzien in het besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 20 mei 1992, tot uitvoering van de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij, is verboden:
    1. anders te vissen dan met één of twee hengels vanop de dijk van de vijver; iedere hengel mag maar voorzien zijn van een ondersnoer met één haak; er mag enkel gevist worden met handlijnen, werphengel en handlijnen met elastiek; vissen met een driehaak, kunstaas of lepels is verboden, evenals vissen met sleepnet of fuik;
    2. het schepnet anders te gebruiken dan om de gehaakte vis te scheppen;
    3. geprepareerde (gekleurde) maden of levende visjes te gebruiken als aas of lokaas; te vissen met brood aan het wateroppervlak of bij te voeren met boullies;
    4. bestanddelen in het water te werpen die van aard zijn de vis te bedwelmen, te kwetsen of te doden;
    5. te vissen op plaatsen waar een visverbod werd aangebracht;
    6. de dijken van de vijver te beschadigen;
    7. op snoek, bars en snoekbaars te vissen tussen 1 maart en 1 oktober;
    8. te vissen tussen zonsondergang en zonsopgang;
    9. te vissen in de vijvers van het Heempark
  3. Gevangen vis moet onmiddellijk afgehaakt worden zonder gebruik van een handdoek, met behulp van een onthakingsmat of –emmer. Gevangen vissen moeten onmiddellijk en voorzichtig terug in het water worden geplaatst. Gevangen vissen mogen dus nooit meegenomen worden met uitzondering van snoeken, baarzen en snoekbaarzen groter dan 35 cm. Voor viswedstrijden kan de reglementering afwijken. Organisatoren dienen daarvoor voorafgaandelijk de toestemming te vragen aan het college van burgemeester en schepenen.
  4. De hierboven vermelde bepalingen in verband met het vissen zijn niet van toepassing in het kader van parkbeheer en –onderhoud.

 

Artikel 7:

Inbreuken op de beschikkingen van onderhavige verordening kunnen vastgesteld worden door de leden van de lokale politie, inclusief hulpagenten en de daartoe aangestelde ambtenaren.

 

Artikel 8:

Voor zover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen, verordeningen geen andere straffen voorzien, worden inbreuken bestraft met een administratieve geldboete conform de procedure vervat in artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet. De omvang van de administratieve geldboete zal ongeacht de omstandigheden het bedrag van het wettelijk voorziene maximum van € 250,00 niet overschrijden.

 

 

AMBULANTE ACTIVITEITEN

Politieverordening houdende de reglementering van de ambulante activiteiten op de Duinenlaan, Stadionplein en Opglabbekerzavel tijdens de manifestaties georganiseerd door K.R.C. Genk.

 

Artikel 1:

De ambulante activiteiten op de Duinenlaan, het Stadionplein en de Opglabbekerzavel tijdens de manifestaties georganiseerd door K.R.C. Genk worden gereglementeerd. De openingsuren worden vastgesteld als volgt: vanaf drie uur voor de officiële opening van de manifestatie tot twee uur na het officiële sluitingsuur.

 

Artikel 2:

Het is verboden op de dagen en uren, aangehaald in artikel 1 van dit besluit, goederen te koop, op de Duinenlaan, Stadionplein en Opglabbekerzavel en private eigendommen palende aan deze openbare plaatsen en wegen, tenzij op de door de marktdienst te vergunnen plaatsen.

 

Artikel 3:

De standplaatsen worden vergund voor een periode van één jaar, vanaf 1 juli tot 31 juni. De vergunningen worden stilzwijgend vernieuwd, tenzij anders bepaald door de aanvrager en behoudens intrekking door middel van een aangetekend schrijven van het gemeentebestuur één maand voor het aflopen van de vergunning.

 

Artikel 4:

Zij die niet voldoen aan de voorwaarden opgelegd in artikel 1 en 2 van dit besluit, zullen, na hiertoe aangemaand te zijn door de bevoegde politieambtenaren, op eigen kosten en risico verwijderd worden.

 

Artikel 5:

Inbreuken op deze politieverordening worden overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet gestraft met een administratieve geldboete van maximum € 250,00.

 

 

WONEN

Politieverordening op kamerwoningen en studentenkamers

 

DEEL 1: ALGEMENE BEPALINGEN

  • Toepassingsgebied
    • Artikel 1:
      • Dit reglement is van toepassing op kamers en studentenkamers, die vallen onder de bepalingen van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers en zijn uitvoeringsbesluiten en op kamers, die verhuurd worden aan leerlingen uit de derde graad van een middelbare school en legt overeenkomstig artikel 9 van dit decreet aanvullende gemeentelijke normen op.
      • Vallen niet onder toepassing van dit reglement:
        • de inrichtingen, waarvoor door de wetgever speciale voorschriften, richtlijnen of normen zijn opgelegd, zoals o.m. bejaardentehuizen, internaten, kindertehuizen, hotels,….
        • de in het gebouw aanwezige zelfstandige woningen, zoals bepaald door de Vlaamse wooncode. Deze moeten voldoen aan de kwaliteitsnormen opgelegd door de Vlaamse wooncode en indien het huurwoningen betreft, aan de elementaire vereisten inzake veiligheid, gezondheid en bewoonbaarheid zoals bepaald door het koninklijk besluit van 8 juli 1997.
    • Artikel 2:
      • In dit reglement wordt verstaan onder:
      • huurder van een kamer: elkeen die, in welke hoedanigheid of vorm of onder welke benaming ook, hetzij uitsluitend voor zichzelf, hetzij in gemeenschap met andere bewoners, het genot krijgt over een kamer zonder daarvan eigenaar, mede-eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter of opstalhouder te zijn;
      • kamer: woongelegenheid waarin één of meer van de volgende voorzieningen ontbreken:
        • wc;
        • bad of stortbad;
        • kookgelegenheid en waarvan de bewoners voor deze voorzieningen afhankelijk zijn van de gemeenschappelijke ruimten in of aansluitend bij het gebouw, waarvan de kamer deel uitmaakt;
      • kamerwoning: elk gebouw dat bestaat uit één of meer te huur gestelde of verhuurde kamers en gemeenschappelijke ruimten;
      • studentenhuis: elk gebouw of een deel van een gebouw waarin twee of meer kamers worden te huur gesteld of verhuurd aan twee of meer studenten, met inbegrip van de gemeenschappelijke ruimten;
      • studentengemeenschapshuis: elk gebouw of een deel van een gebouw dat door één of meer personen integraal wordt gehuurd en (onder)verhuurd aan twee of meer studenten;
      • studentenkamer: elke individuele kamer in een studentenhuis of studenten-gemeenschapshuis;
      • gemeenschappelijke ruimte: deel van kamerwoning of van het studentenhuis of studentengemeenschapshuis aangewend als zitkamer en/of keuken met inbegrip van de interne circulatieruimte en de eventuele sanitaire voorzieningen;
      • verhuren van een kamer of studentenkamer: de terbeschikkingstelling, in welke vorm of onder welke benaming ook van een kamer of studentenkamer in een kamerwoning, studentenhuis of studentengemeenschapshuis aan een huurder, ongeacht of dit gebeurt samen of gelijktijdig met de terbeschikkingstelling in welke vorm of onder welke benaming ook, van:
        • meubels voor de kamer;
        • gemeenschappelijke ruimten;
      • verhuurder: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die als eigenaar, mede-eigenaar, vruchtgebruiker, erfpachter, opstalhouder of lasthebber een kamerwoning of kamer, een studenten- of studentengemeenschapshuis of een studentenkamer verhuurt of ter beschikking stelt al dan niet tegen betaling;
      • student: iedere persoon die ingeschreven is bij een instelling van het hoger onderwijs, waarvan hij de lessen volgt en voor wie dat zijn hoofdbezigheid vormt.
        • Voor dit politiereglement wordt gelijkgesteld met student:
          • de schoolverlater van het hoger onderwijs, die de wachtperiode doorloopt overeenkomstig bepalingen van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.
          • de leerling uit het dagonderwijs van de derde graad van een middelbare school, waarvan hij de lessen volgt en voor wie dat de hoofdbezigheid vormt;
    • Artikel 3: Studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen komen niet in aanmerking als inschrijvingsadres behoudens de wettelijk geregelde uitzonderingen voor domiciliëring van studenten.

 

  • Vergunning
    • Artikel 4: Onverminderd de door de wetgeving inzake ruimtelijke ordening en stedenbouw vereiste vergunning, is het verboden een gebouw, zoals omschreven in de artikelen 1 en 2 van dit reglement uit te baten zonder een voorafgaande schriftelijke vergunning van de burgemeester.
    • Artikel 5: Binnen hetzelfde gebouw wordt enkel een uitbatingsvergunning verleend voor hetzij kamers, bestemd voor het verblijf van niet-studenten, hetzij voor studentenkamers.
    • Artikel 6:
      • De aanvraag voor uitbating dient schriftelijk gericht te worden aan de burgemeester. Deze aanvraag dient de volgende stukken te bevatten:
        • volledig ingevuld aanvraagformulier, ter beschikking gesteld door de bevoegde stedelijke dienst;
        • een afschrift van de goedgekeurde bouwvergunning;
        • een bouwplan met de nummering en aanduiding van kamers, gemeenschappelijke ruimten met de vermelding van de elektrische, sanitaire en veiligheidsuitrusting;
        • de identificatiegegevens van eigenaar en de houder van het zakelijk recht en van de verhuurder of beheerder in dit gebouw.
    • Artikel 7:
      • De burgemeester verleent de uitbatingvergunning op basis van:
        • een gunstig advies van de Dienst Ruimtelijke Ordening en Woonbeleid;
        • een verslag van de cel Woonbeleid, waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, gesteld in deel 1 van dit politiereglement;
        • een verklaring van de brandweer, die bevestigt dat voldaan is aan de brandveiligheidsvoorschriften, zoals bepaald in deel 2 van dit politiereglement.
      • De vergunning bepaalt het maximum aantal bewoners per kamer en per verdieping alsmede de uitbatingsvoorwaarden.
      • Iedere structurele wijziging van de inrichting vereist een nieuwe vergunning.
      • Worden beschouwd als structurele wijzigingen:
        • herindeling van het gebouw, waarbij lokalen andere bestemmingen krijgen dan voorheen bij de oorspronkelijke goedkeuring;
        • uitbreiding van het gebouw;
        • wijzigingen aan de dragende structuur van het gebouw;
        • wijzigingen aan de veiligheidsuitrusting.
      • Elke weigering van een vergunning wordt gemotiveerd.
    • Artikel 8:
      • De burgemeester, de door hem aangestelde technische ambtenaren en ambtenaren van de stad, hebben het recht tussen 8 en 20 uur de kamerwoning en de kamers, de studenten- of studentengemeenschapshuizen en studentenkamers te bezoeken om de conformiteit ervan met de veiligheids- en kwaliteitsnormen vast te stellen en de naleving van de bepalingen van het kamerdecreet en van dit politiereglement te controleren.
      • De huurder en verhuurder zijn verplicht alle nodige inlichtingen te verstrekken om het conformiteitsonderzoek en de controlebezoeken in de beste omstandigheden te laten verlopen.

 

  • Normen inzake woonkwaliteit en uitrusting
    • Artikel 9: Elke kamer moet rechtstreeks toegankelijk zijn en niet via een andere kamer.
    • Artikel 10:
      • Elke kamer moet qua oppervlakte voldoen aan de normen, opgelegd door het kamerdecreet van 4 februari 1997 en de uitvoeringsbesluiten hiervan.
      • Elke kamer of studentenkamer mag maximum door één persoon bewoond worden en moet minstens een woonoppervlakte hebben van 12 m², te verhogen met 3 m² per bad of per stortbad of per keuken.
    • Artikel 11:
      • Elke kamerwoning of studentenhuis, waarvan niet elke individuele kamer uitgerust is met een kookgelegenheid, moet beschikken over een afgescheiden gemeenschappelijke kookruimte.
      • De oppervlakte van deze kookruimte moet tenminste 1,5 m² x aantal toegelaten bewoners zonder individuele kookmogelijkheid bedragen, met een minimum van 6 m². Dit gemeenschappelijk woonlokaal of deel ervan bestemd om te koken moet beschikken over voldoende kooktoestellen op gas of elektriciteit en minstens één gootsteen. De gootsteen moet voorzien zijn van koudwatertoevoer en van een afvoer met reukafsnijder aangesloten op het rioleringsnet.
      • De kookgelegenheid mag niet ingericht zijn in gangen of open ruimten, die deel uitmaken van evacuatiewegen.
    • Artikel 12:
      • Elke kamer en gemeenschappelijk te gebruiken ruimte moet tenminste 2,20 m hoog zijn. Het plafond mag zich in geen geval bevinden op minder dan 1 m boven het maaiveld.
      • Bij hellende plafonds wordt voor de berekening van de woonoppervlakte enkel de nettovloeroppervlakte met een vrije hoogte van meer dan 2,20 m meegerekend.
    • Artikel 13: De kamer moet in de buitengevel of in het dak een raamoppervlakte hebben van tenminste 1/10 van de vloeroppervlakte en met een minimum van 1 m² met voldoende ventilatiemogelijkheden. De kamer moet rechtstreeks licht en buitenlucht ontvangen door ten minste één te openen verticaal venster of ten minste één te openen dakvenster in een hellend dakvlak.
    • Artikel 14:
      • De kamer moet te allen tijde beschikken over elektriciteit. In elke kamer moeten minstens één lichtpunt en twee stopcontacten voorhanden zijn. Per elektrisch kooktoestel of elektrisch verwarmingstoestel dient een bijkomend stopcontact met voldoende vermogen voorzien zijn.
      • Bij het uitvallen van de elektriciteit in de kamer, moet de bewoner altijd toegang hebben tot de zekeringkast welke de kamer bedient.
    • Artikel 15: Elke kamer moet beschikken over voldoende en veilige verwarming. Komen enkel in aanmerking als verwarming: centrale verwarming, elektrische toestellen en luchtdichte gastoestellen met schoorsteen- of gevelafvoer.
    • Artikel 16: Elke kamer moet beschikken over een individuele wastafel. De wastafels moeten over stromend drinkbaar water beschikken. Indien er een individueel stortbad of bad is in de kamer, dient deze over warm water te beschikken.
    • Artikel 17: Indien er een kamer of studentenkamer is die niet over een bad of stortbad beschikt, moet er een gemeenschappelijk stortbad of bad met warm water voorhanden zijn per groep of een deel van een groep van zes bewoners en per verdieping minimaal een bad of stortbad per zes personen.
    • Artikel 18
      • Elke kamerwoning of studentenhuis beschikt tenminste over één afzonderlijk gemeenschappelijk toilet met waterspoeling per groep of een deel van een groep van 6 personen en met een minimum van één toilet per verdieping.
      • Voor de mannen zal tevens een waterplaats per tien mannen of deelgroepen ervan voorzien worden.
      • De toiletruimte moet op een gemakkelijk gelegen plaats in het gebouw ingericht worden, goed verlucht en goed hygiënisch onderhoudbaar zijn.
      • De deur van de toiletruimte moet aan de binnenzijde afsluitbaar zijn. Het toilet mag niet rechtstreeks uitgeven op een gemeenschappelijke keuken of een gemeenschappelijk woonlokaal.
      • Indien er een individueel toilet is in de kamer, dient dit geplaatst te zijn in een afsluitbare ruimte of in een afzonderlijke sanitaire ruimte.
    • Artikel 19: De wastafels, baden, stortbaden en toiletten moeten met een afvoerbuis, voorzien van reukafsnijder, verbonden zijn met het rioleringsnet. De ruimten, waarin ze gelegen zijn, moeten van voldoende verluchting voorzien zijn via ramen of verluchtingskokers.
    • Artikel 20: De uitbater moet een binnennummering laten aanbrengen door de bevoegde stadsdiensten op de deur van elke aangeboden kamer.
    • Artikel 21: Iedere kamerwoning of studentenhuis dient te beschikken over een fietsenstalling op het privé-terrein of aansluitend bij hun eigendom. De fietsenstalling moet plaats bieden aan één fiets per bewoner. Indien de fietsenstalling van een kamerwoning (en niet van een studentenhuis) zich niet bevindt op het terrein van de kamerwoning dient een bewijsstuk voorgelegd te worden aan het stadsbestuur, waaruit blijkt dat de bewoners hierover permanent kunnen beschikken.
    • Artikel 22: Er dient een uitgeruste ruimte beschikbaar te zijn voor de hygiënische opslag van gesorteerd afval. Indien het een lokaal betreft, dient het goed verlucht en goed onderhouden te zijn.
    • Artikel 23:
      • De kamerwoning met kamers voor huisvesting van niet-studenten beschikt bij de hoofdtoegang over een individuele deurbel per kamer en eveneens per kamer over een brievenbus, uitgevoerd volgens de voorschriften van de Post.
      • Studentenhuizen beschikken over minstens één deurbel per verdieping, waarop studenten gehuisvest zijn en minstens over één aparte voor de studenten bestemde gemeenschappelijke brievenbus, uitgevoerd volgens de voorschriften van de Post.

 

  • Beheer en gebruik
    • Artikel 24: De kamers en gemeenschappelijke delen moeten behoorlijk onderhouden en schoongemaakt worden. De uitbater is verantwoordelijk voor het behoorlijk onderhoud.
    • Artikel 25:
      • Enkel de bewoners mogen de kamers als huisvesting gebruiken.
      • Studentenkamers mogen enkel bewoond worden door studenten of leerlingen, zoals bepaald in artikel 1 en artikel 2 van dit reglement.
    • Artikel 26: De gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen zijn enkel bestemd voor de bewoners van de kamers en hun eventuele gasten.
    • Artikel 27:
      • Iedere bewoner moet in het bezit zijn van een sleutel van zijn kamer en van de hoofdtoegang.
      • De uitbater zelf dient over een duplicaat te beschikken.
    • Artikel 28:
      • De uitbater moet ter plaatse, in de toegangshal, een lijst aanbrengen met vermelding van naam en voornaam van elke bewoner en het nummer van de kamer die hij / zij betrekt. Deze lijst moet steeds actueel bijgehouden worden.
      • De uitbater van een studentenhuis of kamerwoning moet jaarlijks vóór 1 november dezelfde lijst, aangevuld met alle voornamen, de geboortedatum en adres afgeven op de dienst Ruimtelijke Ordening - cel Woonbeleid. Voor studentenkamers moet bijkomend een attest dat de huurder student of leerling is, bijgevoegd worden. Elke wijziging aan de bewonerslijst van de kamerwoning moet onmiddellijk doorgeven worden.
    • Artikel 29: De uitbater is ertoe gehouden aan de burgemeester elk vermoeden van ziekte, waarvan de aangifte opgelegd wordt door de reglementeringen inzake besmettelijke ziekten, kenbaar te maken. Bovendien moet hij de burgemeester onverwijld in kennis stellen van elke situatie die strijdig is met de openbare orde, openbare veiligheid, openbare gezondheid en openbare rust.
    • Artikel 30: Iedere kamerwoning moet een verantwoordelijke hebben die belast is met het dagelijks beheer van de kamerwoning en die toezicht uitoefent. Dit kan de verhuurder zijn of een door hem aangestelde persoon. De naam met adres van deze verantwoordelijke moet ter plaatse worden aangeplakt en moet opgenomen worden in het huishoudelijk reglement en in het huurcontract.

 

DEEL 2 : BRANDVEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Artikel 31: Algemeen

§1. Alle kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen moeten beschikken over een brandweerattest waaruit blijkt dat ze beantwoorden aan onderhavige brandbeveiligingsvoorschriften.

§2. De nieuw te openen, evenals de uitbreidingen en de renovatie van bestaande kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen voldoen tevens aan het KB van 07.07.94, gewijzigd bij het KB van 19.12.97 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan de nieuwe gebouwen moeten voldoen(*).

§3. Terminologie

Overeenkomstig het KB van 07.07.94 gewijzigd bij het KB van 19.12.97 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing waaraan nieuwe gebouwen moeten voldoen.

Artikel 32: Toepassingsgebied

§1. Onverminderd de wettelijke en reglementaire teksten ter zake, zijn onderhavige brandveiligheidsvoorschriften van toepassing op kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen met een bezetting van vijf of meer huurders of studenten.

§2. Voor kamerwoningen, studentenhuizen en gemeenschapshuizen met een bezetting van één tot en met vier huurders of studenten wordt de brandbeveiliging bepaald door de brandweerdienst en dit afhankelijk van de grootte, de constructie en de bezetting van het gebouw.

Artikel 33: Indeling van de inrichtingen

De inrichtingen worden ingedeeld in drie categorieën:

- categorie 1 : gebouwen met 1, 2 of 3 bovengrondse bouwlagen;

- categorie 2 : gebouwen met meer dan 3 bovengrondse bouwlagen, maar waarvan de hoogte niet meer dan 25 m bedraagt;

- categorie 3 : de hoge gebouwen.

Artikel 34: Inplanting

De kamerwoningen, studentenhuizen en studentengemeenschapshuizen zijn van nevenliggende constructies en van gevaarlijke, hinderlijke of ongezonde inrichtingen, cafés, dancings, restaurants en soortgelijke inrichtingen gescheiden door wanden met een brandweerstand van tenminste:

- voor de categorie 1 : Rf 1/2 h

- voor de categorieën 2 en 3: Rf 1 h

De deuren in deze wanden zijn zelfsluitend en hebben Rf 1/2h.

Artikel 35: Toegangswegen

De inrichting is te allen tijde bereikbaar voor de brandweervoertuigen. In de nabijheid van de inrichting is de opstelling en de bediening van het materieel voor brandbestrijding en redding gemakkelijk uitvoerbaar.

(*) Ook indien de structurele elementen niet gewijzigd worden zijn de basisnormen van toepassing.

Artikel 36: Constructieve elementen

De constructieve elementen die de stabiliteit van het gebouw verzekeren, zoals kolommen, dragende wanden, hoofdbalken, vloeren en andere essentiële delen die de draagconstructie van het gebouw vormen, hebben :

- voor de categorie 1 : Rf 1/2 h

- voor de categorieën 2 en 3 : Rf 1 h

of zijn gebouwd in metselwerk of beton.

Indien aan de voorschriften van de vorige paragraaf niet voldaan is, wordt de inrichting uitgerust met een algemene en automatische brandmeldinstallatie.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing voor de constructieve elementen van het dakwerk.

Artikel 37: Binnenwanden

De verticale binnenwanden, die de kamers begrenzen, hebben tenminste Rf 1/2 h of zijn gebouwd in metselwerk of beton.

Indien de kamer is uitgerust met een kookgelegenheid heeft de toegangsdeur tot deze kamer minstens een Rf 1/2 h.

Artikel 38: Evacuatie algemeenheden

De evacuatiewegen worden oordeelkundig verdeeld over het gebouw en moeten een snelle en gemakkelijke ontruiming van de personen toelaten. Elke verdieping heeft minstens twee vluchtmogelijkheden in geval van brand.

De eerste vluchtmogelijkheid bestaat uit een binnentrap of een buitentrap.

Aanvaardbare oplossingen voor de tweede vluchtmogelijkheid zijn:

- voor de inrichtingen van categorie 1:

- een tweede binnentrap;

- een buitentrap;

- een buitenladder;

- een opendraaiend venster indien de kamervloer zich lager bevindt dan 3 m boven de begane grond: daarbij moet de vensterbank zich op maximum 1,20 m boven de vloer bevinden;

- voor de inrichtingen van categorie 2 en 3 :

- een tweede binnentrap;

- een buitentrap.

De af te leggen weg mag niet groter zijn dan 35 m tot de eerste vluchtmogelijkheid en 60 m tot de tweede vluchtmogelijkheid. De lengte van de doodlopende delen van de evacuatiewegen bedraagt niet meer dan 15 m.

In functie van de bezetting en de configuratie van het gebouw kan de brandweer bijkomende voorwaarden opleggen.

Artikel 39: Evacuatiewegen: plaats en breedte

Veilige vluchtwegen worden geboden, die duidelijk zijn aangegeven en open blijven en waarvan de doorgang niet mag versperd zijn. De vluchtwegen worden zo aangelegd en verdeeld dat zij onafhankelijk van elkaar uitkomen op een straat of op een vrije ruimte die voldoende groot is om zich van het gebouw te kunnen verwijderen en het snel en veilig te kunnen ontruimen.

De breedte van de trappen, uitgangswegen en uitgangen zijn gelijk aan of groter dan 0,80 m.

De hoogte bedraagt minstens 2,00 m.

Artikel 40: Deuren in de evacuatiewegen

De deuren in de uitgangswegen die twee uitgangen verbinden draaien open in beide richtingen. Voorzover mogelijk gaan de deuren in de evacuatiewegen open in de vluchtrichting.

Artikel 41: Wanden van evacuatiewegen

De binnenwanden van evacuatiewegen hebben:

- voor de categorie 1: Rf 1/2 h

- voor de categorieën 2 en 3: Rf 1 h

Artikel 42: Binnentrappenhuizen

Elke binnentrap in een inrichting van de categorieën 2 en 3 wordt ommuurd.

De binnenwanden van de trappenhuizen hebben:

- voor de categorie 2: Rf 1/2 h

- voor de categorie 3: Rf 1 h

of zijn gebouwd in metselwerk of beton.

De toegang tot de trappenhuizen geschiedt voor de categorieën 2 en 3 via zelfsluitende deuren met Rf 1/2 h.

Boven aan elk trappenhuis zit een rookluik van minimum 0,5 m². Het openen gebeurt door de Brandweer door middel van een manueel te bedienen systeem, dat goed zichtbaar geplaatst wordt op het evacuatieniveau. Het rookluik is voorzien van een noodvoeding.

Artikel 43: Buitentrappen

De buitentrappen voldoen aan de volgende eisen:

- hellingshoek : maximum 60°;

- breedte : minstens 0,60 m;

- aantrede : minstens 0,10 m en aangepast aan de hellingshoek, om een veilig gebruik te waarborgen;

- optrede : maximum 0,20 m;

- voorzien zijn van stevige handgrepen en toegankelijk zijn via een deur en een bordes met een leuning van minstens 1,00 m hoogte.

Artikel 44: Buitenladders

De buitenladders voldoen aan volgende vereisten:

- stevig bevestigd, al dan niet opklapbaar;

- veilig toegankelijk;

- hoogte treden : maximum 0,30 m;

- bovenste trede : minimum 1,50 m boven het hoogste toegangsniveau tot de ladder.

Artikel 45: Bekleding en wandversiering

In bestaande inrichtingen moeten bekleding en wandversiering van die aard zijn dat zij niet tot een onaanvaardbare brandvoortplanting en rookontwikkeling kunnen bijdragen. Het gaat hierbij om de vloerbekleding, de wandbekleding en –versiering en de plafondbekleding en –versiering.

De minimum eisen waaraan de bekleding en de wandversiering voldoen, zijn :

- Vloeren

Technische lokalen

Parkeerruimten

Liftschachten

Machinekamers

AO

Gemeenschappelijke

keukens

Evacuatiewegen

Binnentrappenhuizen

Liftkooien

Zalen

A 3

 

- Verticale Wanden

Technische lokalen

Parkeerruimten

Liftschachten

Machinekamers

AO

Gemeenschappelijke

keukens

Evacuatiewegen

Binnentrappenhuizen

Liftkooien

Zalen

A 2

 

- Plafonds en valse plafonds

Technische lokalen

Parkeerruimten

Liftschachten

Machinekamers

AO

Gemeenschappelijke

keukens

Evacuatiewegen

Binnentrappenhuizen

Liftkooien

Zalen

A 1

 

Artikel 46: Stookplaatsen

De muren, wanden, vloeren en zolderingen van de stookplaatsen en de brandstofopslagplaats hebben tenminste Rf 1h. Als er gebruik gemaakt wordt van vloeibare brandstoffen moet elke verbinding tussen de stookplaats en het gebouw, en tussen de stookplaats en de brandstofopslagplaats, afgesloten zijn door een deur Rf 1/2 h.

Die deuren sluiten automatisch.

De stookplaatsen en de brandstofopslagplaatsen zijn behoorlijk verlucht.

De brandstofopslagplaats is voorzien van een inkuiping.

Artikel 47: Verwarmingsinstallatie

Elke kamer moet beschikken over voldoende en veilige verwarming. Komen enkel in aanmerking als verwarming: centrale verwarming, elektrische toestellen en luchtdichte gastoestellen met schoorsteen- of gevelafvoer.

De verwarmingsinstallaties beantwoorden aan de voorschriften van de bestaande reglementeringen en normen. Ze worden geplaatst volgens de code van goed vakmanschap en zijn steeds in goede staat van werking en onderhoud, zodat ze voldoende veiligheid verzekeren. Elektrische verwarmingstoestellen die een zichtbare elektrische weerstand bevatten en installaties met brandbaar gas in verplaatsbare recipiënten zijn verboden, voor zover geplaatst in het gebouw.

Artikel 48: Gastoevoer

Wanneer het gebouw waarin de inrichting gelegen is een algemene gastoevoerleiding bezit, dan moet daarop tenminste één handbediende afsluitkraan aangebracht zijn. Deze wordt voorzien bij het begin van de leiding in het gebouw en is behoorlijk aangeduid.

De gasmeter wordt in een goed verlucht lokaal geplaatst. De gasleidingen zijn geel geschilderd.

Artikel 49: Keukens en eetzalen

De keukens en de combinaties keuken-eetzaal zijn begrensd door wanden met een Rf van minstens:

- voor de categorie 1 : Rf 1/2 h

- voor de categorieën 2 en 3 : Rf 1 h

of ze moeten gebouwd zijn in metselwerk of beton.

De toegangsdeuren tot de keukens hebben Rf 1/2 h en zijn zelfsluitend.

Artikel 50: Liften en goederenliften

Het geheel van de liften en goederenliften, bestaande uit één of meer schachten, is begrensd door wanden met een Rf van minstens:

- voor de categorie 1: Rf 1/2 h

- voor de categorieën 2 en 3: Rf 1 h

of ze moeten gebouwd zijn in metselwerk of beton.

Uitzondering wordt gemaakt voor de voorzijde van de liftbordessen en de wanden die deel uitmaken van de gevel. De liftbordeszijde, de deuren inbegrepen, voldoet gedurende een half uur aan de criteria van stabiliteit en vlamdichtheid.

Artikel 51: Veiligheidsverlichting

De grote gemeenschappelijke lokalen (eetzalen, keukens, vergaderzalen, ontspanningszalen, enz.), evacuatiewegen, bordessen, overlopen en de voornaamste stroomborden zijn voorzien van een degelijke veiligheidsverlichting die een voldoende lichtsterkte heeft om het gebouw veilig te kunnen verlaten. De veiligheidsverlichting moet bij het uitvallen van de normale verlichting automatisch en onmiddellijk in werking treden. Ze moet gedurende minstens 1 uur in werking blijven op een voldoende lichtsterkte.

Artikel 52: Alarm

Het gebouw is uitgerust met een alarminstallatie met noodvoeding.

De alarmsignalen kunnen door alle betrokken personen opgevangen worden en mogen niet met andere signalen verward kunnen worden.

De alarminstallatie mag gecombineerd worden met de automatische brandmeldinstallatie.

Artikel 53: Algemene automatische brandmeldinstallatie

Wanneer het onderhavig reglement een automatische brandmeldinstallatie eist, bestaat deze uit een aantal branddetectoren en een centrale.

De detectoren worden aangepast aan het brandrisico.

Kamers en evacuatiewegen moeten beveiligd worden door rookdetectoren.

De centrale is aangepast aan de detectoren en minimaal uitgerust met:

- een optisch signaal dat de inbedrijfsinstelling van de installatie aanduidt;

- een akoestisch waarschuwingssignaal;

- een optisch waarschuwingssignaal, dat toelaat de plaats waar de brand ontstaan is te lokaliseren. Dit lokaliseren moet ten minste mogelijk zijn per verdieping.

De centrale wordt gevoed door het openbaar elektriciteitsnet en beveiligd met afzonderlijke zekeringen. In geval het openbaar elektriciteitsnet uitvalt, zorgt een secundaire stroombron automatisch voor de voeding van de installatie.

Artikel 54: Brandbestrijdingsmiddelen

De brandbestrijdingsmiddelen worden bepaald door de bevoegde brandweerdienst.

 

Onderhoud en controle

Artikel 55: Algemeen

De technische uitrustingen van de inrichting wordt in goede staat gehouden. De uitbater laat op zijn verantwoordelijkheid periodiek deze uitrusting door bevoegde personen controleren.

De uitbater zorgt ervoor dat de nodige keuringen, onderzoekingen en controles uitgevoerd worden. De data van de controles en de vaststellingen die tijdens deze controles werden gedaan, worden in een notitieboekje ingeschreven. Dit wordt ter beschikking gehouden van de burgemeester of zijn afgevaardigde.

Artikel 56: Liften en goederenliften

Liften en goederenliften worden driemaandelijks gecontroleerd door een erkend organisme.

Art. 57: Elektrische installatie, veiligheidsverlichting, algemene automatische brandmeldinstallatie en alarm

De elektrische installatie wordt om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend organisme.

De veiligheidsverlichting, de algemene automatische brandmeldinstallaties, het alarm en de rookluiken worden jaarlijks gecontroleerd door een erkend organisme.

Artikel 58: Installaties voor verwarming en klimaatregeling

Onverminderd de bepalingen van het KB van 6 januari 1978 tot voorkoming van luchtverontreiniging bij het verwarmen van gebouwen met vaste en vloeibare brandstoffen, worden jaarlijks de installaties voor centrale verwarming en centrale klimaatregeling nagezien door een bevoegde technicus.

De afvoerkanalen voor rook- en verbrandingsgassen worden steeds in goede staat gehouden en jaarlijks gecontroleerd door een bevoegd persoon.

Artikel 59: Installaties gevoed met brandbaar gas

De gasinstallatie wordt voor de ingebruikname, bij veranderingen en om de vijf jaar gecontroleerd door een erkend organisme.

Jaarlijks wordt de goede werking van de installatie gecontroleerd door een bevoegd installateur.

Artikel 60: Brandbestrijdingstoestellen

De uitbater draagt er zorg voor dat de brandbestrijdingstoestellen jaarlijks nagezien en onderhouden worden door een bevoegd persoon.

Artikel 61: Filters en kokers van dampkappen

De uitbater draagt er zorg voor dat de filters en kokers van dampkappen jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

Artikel 62: Deuren en verluchtingsopeningen

De uitbater draagt er zorg voor dat de deuren, luiken en verluchtingsopeningen voorzien in onderhavig reglement jaarlijks nagezien en onderhouden worden.

 

Uitbatingsvoorschriften

Artikel 63: Algemeen

Buiten hetgeen voorzien is door onderhavige reglementering, neemt de uitbater alle nodige maatregelen om de personen, aanwezig in de inrichting, te beschermen tegen brand, paniek en ontploffing.

Artikel 64: Kooktoestellen en maaltijdverwarmers

Kooktoestellen en maaltijdverwarmers zijn ver genoeg verwijderd of geïsoleerd van alle ontvlambare materialen.

Artikel 65: Gasinstallaties

De onontbeerlijke voorzorgen zijn genomen om gaslekken te voorkomen.

De aanwezigheid van verplaatsbare recipiënten met vloeibaar gemaakte petroleumgassen is verboden in het gebouw.

Artikel 66. Voorlichting van het personeel en de gasten inzake brandpreventie

De verantwoordelijke van de inrichting en het personeel beschikken over richtlijnen waarin minstens volgende punten zijn vastgelegd:

- de wijze van werking van de automatische brandmeldinstallatie;

- de te nemen schikkingen om de veiligheid van de personen te verzekeren;

- het bestaan en de werking van de brandbestrijdingsmiddelen.

- de wijze van verwittiging van de hulpdiensten.

Een inlichtingennota, bestemd voor de huurders/studenten, zal de nodige aanbevelingen inzake brandpreventie bevatten.

Artikel 67: Veiligheidsrichtlijnen en plannen

Bij de ingang is een plan van de inrichting aanwezig, bedoeld om de hulpdiensten in te lichten, dat de plaats aanduidt van:

- de trappen en de evacuatiewegen;

- de beschikbare brandbestrijdingsmiddelen;

- in voorkomend geval, het stopmechanisme van het ventilatiesysteem;

- in voorkomend geval, het overzichtsbord van het detectie- en alarmsysteem;

- de stookplaatsen;

- in voorkomende geval, de ligging van installaties en lokalen die een bijzonder risico inhouden.

 

DEEL 3: SLOTBEPALINGEN

Artikel 68

Voor de bestaande kamerwoningen en studentenhuizen wordt een overgangstermijn voorzien van 5 jaar waarbinnen één kamer nog bewoond kan worden door 2 personen. Deze termijn van 5 jaar loopt vanaf de bekrachtiging door de Vlaamse regering op 18.07.2003 van de politieverordening op de kamerwoningen en studentenkamers van 24.04.2003.

Na deze overgangsperiode van 5 jaar, mag elke kamer of studentenkamer maximum door één persoon bewoond worden, volgens de normen, bepaald in dit reglement.

Artikel 69

Onverminderd de bepalingen van dit reglement, zijn de voorschriften van de betreffende wetten, decreten, reglementen en besluiten van toepassing.

Artikel 70

De tekst van dit reglement wordt bij de vergunning gevoegd. De verhuurder moet op zijn beurt de tekst ter kennisgeving van de bewoners uithangen.

Artikel 71

De burgemeester of zijn afgevaardigde, de politiediensten, de daartoe aangestelde ambtenaren en de brandweerdiensten houden toezicht en controle op de naleving van dit reglement.

Artikel 72

Onverminderd straffen voorzien door wetten, decreten, in het bijzonder het decreet van 04.02.1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers, algemene of provincialereglementen worden inbreuken op de artikels 7 en 9 gesanctioneerd met een schorsing of intrekking van de vergunning of met een sluiting.

Wanneer de uitbater van een kamerwoning of studentenhuis niet beschikt over een vergunning, zoals bepaald in artikel 4, kan deze inbreuk bestraft worden met de sluiting van het gebouw.

Inbreuken op de overige artikelen worden overeenkomstig artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet bestraft met een administratieve geldboete van maximum € 250,00.

 

Politieverordening aangaande het verblijfsterrein voor woonwagenbewoners Horensberg

I. BEGRIPSOMSCHRIJVING EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1: definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

Woonwagenterrein

Het terrein door de stad Genk bestemd en ingericht voor sedentair wonen in woonwagens door woonwagenbewoners.

Vaste standplaats, niet-vaste standplaats, noodstandplaats

Een vaste standplaats is een afgebakende, genummerde ruimte op het woonwagenterrein.

Een niet-vaste standplaats is een tijdelijke afgebakende, genummerde ruimte op het woonwagenterrein. Deze tijdelijke standplaatsen worden opgeheven van zodra de woonwagenbewoner(s) aan wie de standplaats thans nog is toegewezen, verhuist, overlijdt, of waarvan de vergunning wordt opgezegd of opgeheven.

Een noodstandplaats is een tijdelijke, afgebakende genummerde ruimte op het woonwagenterrein die bedoeld is om de acute woonnood van woonwagenbewoners op de wachtlijst en verblijvend op het terrein , tijdelijk te verminderen. Deze plaatsen worden tijdelijk gegund.

Enkel deze plaatsen komen in aanmerking voor bewoning.

Woonwagenbewoners

Personen met een nomadische cultuur, die zich legaal in België bevinden en die traditioneel in een woonwagen wonen of gewoond hebben, in het bijzonder de autochtone voyageurs en de zigeuners, en diegenen die met deze personen samenleven of er in de eerste graad van afstammen.

Vaste woonwagen

Een woongelegenheid, gekenmerkt door flexibiliteit en verplaatsbaarheid doch met verankering in de grond en bestemd voor permanente en niet-recreatieve bewoning.

Autowrak

Met autowrak wordt bedoeld elk voertuig, bedoeld in het algemeen reglement op de politie en het wegverkeer, dat met eigen beweegkracht niet meer gebruikt kan worden overeenkomstig zijn eigenlijke bestemming en dat niet meer beschikt over een eigen inschrijving en officiële nummerplaat.

Aanbouw

Een aanbouw is een constructie,

· die aangehecht is aan een woonwagen

· die aanvullend is op de woonwagen, dit wil zeggen dat de aanbouw haar bestemming niet kan waarmaken zonder de aanwezigheid van de woonwagen

· die integraal deel uitmaakt van de woning of dienstig is als terras

Bijgebouw

Een bijgebouw is een alleenstaande constructie, die kan dienen als bergplaats, werkplaats, werkhall of garage.

Aanvrager

De persoon die een aanvraag indient.

Kandidaat

De persoon wiens aanvraag aanvaard is en ingeschreven wordt op de kandidatenlijst.

Begunstigde

De persoon aan wie een vergunning tot inname van één van de standplaatsen werd afgeleverd.

Vergunning

Het éénzijdig toekennen van het privaat gebruik op dit openbaar domein. De toekenning gebeurt op eigen voorwaarden.

Gezinslid

Het gezin bestaat uit hetzij een persoon die gewoonlijk alleen leeft, hetzij uit twee of meer personen die, al dan niet door verwantschap aan elkaar verbonden, gewoonlijk in één en dezelfde woning verblijven en er samenleven. Samenleven is het beslissende criterium om te bepalen of personen lid zijn van een gezin.

Dat criterium wordt afgebakend door feitelijke elementen. Het niet-samenleven wordt vertaald in de vaststelling dat een persoon een apart gezin vormt.

Beheerder

Een personeelslid, door het college van burgemeester en schepenen aangesteld om toezicht uit te oefenen op de naleving van deze verordening

Woonwagencomité

Het woonwagencomité is een adviesorgaan voor het beheer van het woonwagenterrein en de toewijzing van standplaatsen, samengesteld uit afgevaardigden van stedelijke diensten, het OCMW, de politie, Kind & Gezin, de minderhedensector en eventueel andere betrokken instanties of instellingen. Het secretariaat van het woonwagencomité wordt waargenomen door de stedelijke Dienst Integratie. Bewoners en andere betrokkenen kunnen door het comité gehoord worden.

Het college van burgemeester en schepenen benoemt de leden van het woonwagencomité.

De beheerder heeft namens de stad het mandaat om de naleving van deze verordening op te volgen. De beheerder begeleidt het woonwagencomité.

Individueel veiligheidsdossier

Voor iedere standplaats wordt op initiatief van de stad en voor het afleveren van enige vergunning, door de stad in samenwerking met de brandweer een individueel veiligheidsdossier opgemaakt.

Het individueel veiligheidsdossier bevat een beschrijving van de toestand van de standplaats met betrekking tot de brandveiligheid.

Hieronder wordt minstens verstaan dat volgende bestanddelen voldoen aan de veiligheidsnormen :

· elektriciteitsinstallatie (cfr artikel 19)

· nazicht van centrale verwarming en leidingen voor vloeistoffen of gassen (cfr artikel 20)

· opslag van brandbare producten (cf. artikel 21)

· nazicht algemeen brandrisico (cf. artikelen 24 en 25)

Tenzij huidige verordeningen andere termijnen bepalen voor specifieke controles, wordt om de drie jaar een nieuwe controle de visu uitgevoerd met het oog op het updaten van het individueel veiligheidsdossier.

De controles worden steeds uitgevoerd door of in opdracht van de stad, samen met de brandweer.

Standgeld

Indirecte belasting voor het privatief gebruik van een standplaats.

 

Artikel 2: toepassingsgebied

Deze verordening is van toepassing op het woonwagenterrein gelegen te Genk, Geenhornstraat 40, genoemd "Horensberg", bestaande uit 46 vaste standplaatsen, 3 niet-vaste standplaatsen en 5 noodstandplaatsen.

De vaste standplaatsen worden aangeduid op het bijgevoegd plan in gele kleur.

De tijdelijke standplaatsen worden aangeduid op het bijgevoegd plan in rode kleur.

De noodstandplaatsen worden aangeduid op het bijgevoegd plan in blauwe kleur.

 

II. TOEKENNING VAN STANDPLAATSEN

Artikel 3: aanvraag

Elkeen die aanspraak wil maken op een vaste standplaats van het woonwagenterrein dient hiervoor een aanvraag in te dienen, gericht aan het college van burgemeester en schepenen.

Om geldig te zijn, dient de aanvraag aan volgende voorwaarden te voldoen :

1. De aanvrager moet de volle leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;

2. De aanvraag moet ingediend worden door één woonwagenbewoner die verder de aanvrager wordt genoemd;

3. De aanvraag moet schriftelijk zijn en per aangetekend schrijven of tegen ontvangstbewijs bij de Dienst Bevolking zijn binnengekomen;

4. De aanvraag vermeldt de identiteit van de aanvrager en van de andere gezinsleden.

5. De aanvraag moet ondertekend worden door al de meerderjarige gezinsleden ter kennisname;

6. De aanvraag moet bij elke gezinswijziging vernieuwd worden zonder verlies van rechten.

Bij gebreke hiervan kan de aanvraag als ongeldig verklaard worden.

Bij overlijden of vertrek van de aanvrager alvorens een standplaats te hebben ingenomen kunnen de rechten van de aanvrager overgaan op de andere gezinsleden die de aanvraag mee hebben ondertekend in zoverre zij de laatste 3 jaar ononderbroken hebben samengewoond en er zijn/haar wettelijke woonplaats had zoals vermeld in het rijksregister.

Er kan pas sprake zijn van overdracht van rechten wanneer deze gezinswijziging tot uiting komt in een nieuwe aanvraag.

Het college kan een aanvraag weren indien:

1. de betrokkene in een andere stad of gemeente een vaste verblijfplaats heeft en na schriftelijk hiertoe te zijn uitgenodigd, zijn oorspronkelijke aanvraag niet heeft bevestigd;

2. iemand niet tot de doelgroep van woonwagenbewoners behoort.

 

Artikel 4: lijst

Het college maakt een chronologische en gedagtekende lijst van de binnengekomen aanvragen voor de vaste standplaatsen.

Bepalend is de datum van de poststempel of de datum van ontvangstbewijs. Enkel aanvragen die voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 3 worden in de kandidatenlijst opgenomen.

De kandidatenlijst is enkel ter inzage voor kandidaten. De kandidatenlijst kan door de stad worden geactualiseerd. De stad kan de kandidaten verzoeken hun aanvraag tot standplaats te vernieuwen. Zij worden aangeschreven op het adres van inschrijving zoals vermeld in het rijksregister.

Indien binnen de maand na verzoek geen bevestiging van de aanvraag komt kan de persoon van de kandidatenlijst worden geschrapt.

 

Artikel 5: toewijzing

1. Procedure van afleveren

De vaste standplaatsen worden volgens de lijst onderhands toegekend door het college van burgemeester en schepenen, na schriftelijk advies van het woonwagencomité, door middel van een vergunning en vervolgens op het woonwagenplan aangeduid. De vergunning wordt afgeleverd voor onbepaalde duur.

De standplaatsen worden toegewezen volgens de chronologische volgorde van de inschrijvingen op de lijst van de aanvragen.

De kandidaat kan geen standplaats toegewezen krijgen zolang hij nog een schuld te vereffenen heeft aan het stadsbestuur uit hoofde van achterstallige standplaatsrechten of eventuele bijhorigheden, zoals boeten, intresten en belastingsschulden.

Noodstandplaatsen worden volgens de bestaande wachtlijst voor vaste standplaatsen toegewezen door het college van burgemeester en schepenen, na advies van het woonwagencomité door middel van een vergunning en vervolgens op het woonwagenplan aangeduid.

Enkel de aanvragers van deze wachtlijst die op 1 mei 2004 verbleven op het woonwagenterrein in Genk komen in aanmerking voor een noodstandplaats.

Bewoners die reeds een vaste of niet- vaste plaats kregen toegewezen, komen niet in aanmerking voor een noodstandplaats.

De vergunning wordt afgeleverd tot ten laatste 01/01/2006, en kan worden ingetrokken zodra de begunstigde elders over een standplaats beschikt.

Degene die de noodstandplaats krijgt toegewezen blijft op dezelfde plaats op de wachtlijst voor de toekenning van de vaste standplaatsen staan.

2. Aan wie wordt de vergunning gegeven?

De vergunning wordt afgeleverd op naam van de aanvrager, die verder de "begunstigde" wordt genoemd. De persoon aan wie de vergunning wordt verleend mag er met zijn gezin wonen. De partner die wettelijk samenwoont of gehuwd is met de begunstigde is van rechtswege eveneens begunstigde.

De vergunning van de standplaats wordt schriftelijk en tegen ontvangstbewijs aan de begunstigde betekend, samen met een kopie van de onderhavige verordening alsook een kopie van het reglement betreffende de indirecte belasting op het gebruik van het woonwagenterrein voor woonwagenbewoners Horensberg.

Na het overlijden of vertrek van de begunstigde kan op aanvraag en na goedkeuring van het college van burgemeester en schepenen een meerderjarig gezinslid op zijn/haar beurt begunstigde worden van de vaste standplaats in zoverre hij/zij de laatste 3 jaar voor het vertrek of overlijden van de vertrokken of overleden begunstigde ononderbroken heeft samengewoond én er zijn/haar wettelijke woonplaats had, zoals vermeld in het rijksregister.

De rechten van de bewoner die gevestigd is op een noodstandplaats, kunnen niet overgaan op een gezinslid met uitzondering van de partner die, op basis van wettelijke samenwoonst of huwelijk, eveneens begunstigde is.

3. Individueel veiligheidsdossier

Per standplaats wordt er een individueel veiligheidsdossier opgesteld door de stad, waarbij de brandweer gevorderd wordt voor de ondersteunende en adviserende rol.

Uiterlijk 1 maand na inname van de standplaats wordt op initiatief van de stad een controle uitgevoerd op de standplaats met het oog op het opstellen van een individueel veiligheidsdossier.

Dit dossier bevat aanbevelingen van de brandweer om het veiligheidsrisico van de standplaats te minimaliseren alsmede de termijn binnen dewelke de aanbevelingen uitgevoerd dienen te worden. Deze termijn bedraagt maximum 4 maanden en wordt bepaald in functie van het veiligheidsrisico.

Het individueel veiligheidsdossier wordt aan de bewoner aangetekend verstuurd uiterlijk 15 dagen na uitvoering van de controles.

Uiterlijk 15 dagen na ontvangst van het individueel veiligheidsdossier kan de bewoner de inhoud (de aanbevelingen) aangetekend protesteren mits voorlegging van een tegensprekelijke expertise.

 

Artikel 6: modaliteiten bij weigering van de standplaats

Bij vaste standplaatsen:

Een kandidaat heeft het recht één maal de toekenning van een standplaats weigeren. De weigering moet schriftelijk worden verzonden naar het college van burgemeester en schepenen of tegen ontvangstbewijs worden afgegeven op de Dienst Bevolking. De kandidaat hoeft zijn weigering niet te motiveren.

Bij een eerste weigering van de toegewezen standplaats komt de eerstvolgende op de lijst in aanmerking. Bij schriftelijke weigering schuift de kandidaat één plaats naar achter op de wachtlijst.

Bij een tweede weigering wordt hij/ zij van de wachtlijst geschrapt.

Het onbestelbaar terugkeren van de brief waarbij de kandidaat een standplaats toegewezen wordt, wordt gelijkgesteld met een tweede weigering.

Bij noodstandplaatsen:

De kandidaat heeft het recht om een noodstandplaats te weigeren Deze weigering heeft geen effect op de plaats van de kandidaat op de wachtlijst.

 

Artikel 7: inname van de standplaats

De standplaats moet door de kandidaat worden ingenomen en worden bewoond uiterlijk 14 dagen na ontvangst van de afgeleverde standplaatsvergunning, tenzij anders bepaald in de vergunning van het college van burgemeester en schepenen.

Het niet-innemen van de standplaats binnen de vooropgestelde termijn, wordt beschouwd als een weigering in de zin van artikel 6.

Het is verboden een standplaats in te nemen zonder vergunning of woonwagens te plaatsen buiten de standplaatsen.

 

Artikel 8: plaatsbeschrijving

Alvorens de kandidaat de standplaats mag betrekken, zal een plaatsbeschrijving van de standplaats en toebehoren worden opgesteld door een personeelslid van de technische dienst van de stad Genk, in aanwezigheid van de begunstigde.

De plaatsbeschrijving wordt gedagtekend, opgesteld in zoveel originele exemplaren als er partijen zijn en door alle partijen voor akkoord ondertekend. Elke partij ontvangt een origineel van de plaatsbeschrijving.

 

Artikel 9: intrekking van de vergunning

De vergunning kan, na schriftelijk gemotiveerd advies van het woonwagencomité, worden ingetrokken in volgende gevallen :

· wanneer de begunstigde zijn hoofdverblijfplaats elders heeft;

· wanneer de begunstigde op een ander gemeentelijk woonwagenterrein, ingericht voor sedentair wonen, een standplaats toegewezen kreeg;

· wanneer de begunstigde ambtshalve wordt geschrapt.

· Wanneer de begunstigde binnen de opgelegde termijn in gebreke blijft de aanbevelingen in het individueel veiligheidsdossier uit te voeren.

De vergunning van een noodstandplaats kan bovendien worden ingetrokken:

· wanneer de begunstigde een vaste standplaats krijgt toegewezen;

· wanneer de stad kan aantonen dat er elders in de provincie Limburg voor de begunstigde van een noodstandplaats een standplaats beschikbaar is.

 

Artikel 10: ruilen van de standplaats

Het ruilen van een standplaats is toegelaten mits schriftelijke toestemming van het college van burgemeester en schepenen, na advies van het woonwagencomité.

Het is enkel mogelijk te ruilen tussen standplaatsen met eenzelfde statuut (vast, niet permanent, nood).

 

Artikel 11: onderverhuur

Onderverhuur, al dan niet tegen een geldelijke of andere vergoeding, van welke aard dan ook, is niet toegelaten.

 

III. GEBRUIK EN BEHEER VAN DE STANDPLAATS

Artikel 12:

Het terrein behoort tot het openbaar domein van de stad Genk, doch de toegewezen standplaatsen hebben een privaat karakter.

De stad vordert een indirecte belasting voor het privatief gebruik van een standplaats.

Elke vaste standplaats is voorzien van een berging met de nodige elektrische en sanitaire voorzieningen ten behoeve van personen aan wie de standplaats wordt toegewezen.

Zonder schriftelijke toelating van het college van burgemeester en schepenen mag er niets aan de sanitaire voorziening gewijzigd of bijgeplaatst worden.

Elke noodstandplaats is voorzien van een minimale basisvoorziening.

Wijzigingen waarvoor een schriftelijke vergunning wordt gegeven en die bij het verlaten van de standplaats niet dienen verwijderd of hersteld in zijn oorspronkelijke toestand te worden, worden uitdrukkelijk genoteerd op het document van de plaatsbeschrijving, maar geven geen recht op vergoeding.

De stad Genk heeft te allen tijde het recht de standplaats op te nemen en te bezichtigen mits voorafgaande schriftelijke aankondiging. De begunstigde moet de stad Genk in staat stellen op de afgesproken datum en uur de standplaats te inspecteren.

 

Artikel 13:

De begunstigde verkrijgt het recht om op de hem toegekende standplaats één woonwagen te plaatsen.

De bebouwde oppervlakte van een vaste standplaats mag maximum 140 m² beslaan. Alle constructies worden hiervoor meegerekend.

Geen enkele constructie mag bestaan uit meer dan één bouwlaag.

De constructies, andere dan de woonwagen en aanbouw, mogen geen woonfunctie hebben.

Woonwagens en/of hun aanbouw moeten op een minimale afstand van 2 meter van de perceelsgrens opgetrokken worden, tenzij volgende voorwaarden zijn vervuld:

· Toestemming van het college en burgemeester en schepenen

· Geen gevaar voor de brandveiligheid

· Een blijvend positief individueel veiligheidsdossier

 

Artikel 14:

De begunstigde zal de standplaats, met al zijn aanhorigheden, in goede staat onderhouden en alle mogelijke voorzorgen nemen om schade door vorst, storm of andere natuurelementen te voorkomen.

 

Artikel 15:

De begunstigde brengt de stad of de toezichter onmiddellijk op de hoogte van elke schade aan de infrastructuur van de standplaats veroorzaakt door een bekende of onbekende oorzaak.

Herstellingen worden uitgevoerd door de stad, op kosten van diegene die ze ten laste heeft, of uitgevoerd onder toezicht van de stad.

Herstellingen ten laste van de begunstigde of geringe herstellingen tot onderhoud, waartoe de begunstigde gehouden is, zijn diegenen die volgens de huurwetgeving ten laste vallen van de huurders.

Onderhoudswerken en herstellingen aan de stedelijke infrastructuur vallen ten laste van de gemeente wanneer ze het gevolg zijn van gewone slijtage, gebrek of overmacht. De stad onderhoudt de gemeenschappelijke delen.

Behoudens dringende herstellingen worden de betrokken gebruikers ten minste 3 dagen voorafgaand aan het begin van de werken verwittigd.

 

Artikel 15bis:

De kosten voor het opstellen van het eerste individueel veiligheidsdossier per standplaats zijn ten laste van de stad.

De driejaarlijkse controles de visu worden gedragen door de stad voor zover deze betrekking hebben op de eigendom van de stad en op de administratieve kost van het veiligheidsdossier en de kost van de brandweer.

Kosten van effectieve keuring door specialisten van installaties die in eigendom toebehoren aan de bewoner, vallen ten laste van de bewoner zelf.

 

Artikel 16:

Het is verboden materialen op het terrein te stapelen die vreemd zijn aan de woonactiviteit.

Schroot mag slechts voor korte duur, die de termijn van 15 kalenderdagen niet overschrijdt, en in beperkte mate (maximaal 3 ton) en op geordende wijze opgeslagen worden, en dit in overeenstemming met de vigerende wetgeving.

De tijdelijke opslag moet geschieden in lekvrije containers, geplaatst op een in beton gegoten ondergrond. Het college van burgemeester en schepenen kan nadere en beperkende richtlijnen uitvaardigen, o.m. wanneer de wetgeving strenger is dan de verordening.

 

Artikel 17:

Het plaatsen van autowrakken op de percelen of op de openbare weg is verboden.

 

Artikel 18:

Doorgangen moeten te allen tijde vrij blijven voor evacuatie en de toegang van de hulpdiensten.

 

Artikel 19:

De elektrische aansluitingen en de installatie van de constructies dienen conform de reglementering op elektrische installaties te zijn. Luchtkabels dienen op een minimale hoogte van 2,50 meter aangebracht te worden.

 

Artikel 20:

De tanks voor stookolie dienstig voor verwarmings- en/of kooktoestellen, die buiten de woonwagen opgesteld staan, mogen maximaal 1.200 liter inhoud hebben per standplaats.

Deze vloeistoffen moeten worden opgeslagen in metalen of andere brandvrije recipiënten, stabiel geplaatst in een inkuiping.

De leidingen voor vloeistoffen moeten vanaf de opslagplaats tot aan de woonwagen vervaardigd zijn uit aangepaste metalen leidingen. Aan het begin- en het eindpunt van deze leidingen dient een afsluitkraan voorzien te worden.

Het college van burgemeester en schepenen kan nadere en beperkende richtlijnen uitvaardigen.

Bij inbreuk op dit artikel kan het college van burgemeester en schepenen overgaan tot de onmiddellijke ontmanteling van de installatie, op kosten van de eigenaar.

 

Artikel 21:

De opslag van brandbare stoffen (gas, gasolie,...) dienstig voor verwarmings- en/of kooktoestellen is toegelaten binnen de wettelijke voorgeschreven normen en vergunningen.

Gasopslag in LPG-autotanks voor verwarming is verboden.

De leidingen voor gassen moeten geplaatst worden volgens de code van goed vakmanschap, steeds in goede staat van werking en onderhoud verkeren en voldoende veiligheid verzekeren.

De gasinstallatie moet bij ingebruikname van de standplaats en vervolgens om de drie jaar gecontroleerd worden door een bevoegd organisme.

Het college van burgemeester en schepenen kan nadere en beperkende richtlijnen uitvaardigen o.m. wanneer de wetgeving strenger is dan de verordening.

Bij inbreuk op dit artikel kan het college van burgemeester en schepenen overgaan tot de onmiddellijke ontmanteling van de installatie, op kosten van de eigenaar.

 

Artikel 22:

Voor de ophaling van het huisvuil schikken de begunstigden zich naar de geldende wettelijke bepalingen terzake.

Afvalstoffen dienen te worden ingezameld en verwijderd volgens de bepalingen van de politieverordening op het inzamelen van afval en het gebruik van het containerpark. Kosten voor het opruimen door de stad van afval op een standplaats komen ten laste van de begunstigde van de standplaats.

 

Artikel 23:

De begunstigde van een standplaats zal ervoor zorgen dat de rust, de veiligheid en de gezondheid van de andere bewoners en de omgeving op geen enkel ogenblik wordt gestoord.

In het bijzonder mag het gebruik van motoren, radio's en tv's niet storend zijn.

 

Artikel 24:

Het is de begunstigde van een standplaats op het woonwagenterrein verboden:

· om het even welke activiteit uit te oefenen die een risico van brand inhoudt;

· brandbare of explosieve stoffen op te slaan, anders dan hoger vermeld;

 

Artikel 24 bis:

Het is de begunstigde van een standplaats op het woonwagenpark bovendien verboden :

· Afvalstoffen, oud ijzer of schroot , autobanden, autobatterijen, gebruikte goederen van welke aard ook, te leggen of achter te laten op het woonwagenterrein, anders dan hoger vermeld.

· Er zijn maximum 2 volwassen honden toegelaten, deze mogen echter niet loslopen en moeten beschikken over een degelijke ren of hok. Het is verboden vee te houden.

Huisdieren en kleinvee mogen geen hinder en overlast veroorzaken.

 

Artikel 25:

De begunstigde treft de nodige maatregelen om de gebruikte plaatsen voor brandgevaar te behoeden.

Elke begunstigde voorziet zijn standplaats van een waterslang van minimum 20 meter lang.

 

Artikel 26:

Het is verboden de beschikbare accommodatie op het terrein zonder de toelating van het college van burgemeester en schepenen voor andere doeleinden te gebruiken dan deze waarvoor ze doorgaans bestemd zijn.

 

Artikel 27:

De begunstigde betaalt een standgeld volgens de bepalingen opgenomen in het vigerend reglement van indirecte belasting op het gebruik van standplaatsen op het woonwagenterrein Horensberg.

 

Artikel 28:

De begunstigde draagt de kosten van water-, gas- en elektriciteitsverbruik, het huren van de meters en het ruimen van de septische putten. Het is niet toegelaten via waterslangen, leidingen, kabels en dergelijke gebruik te maken van de nutsvoorzieningen van een andere standplaats.

 

IV. BEËINDIGING VAN HET GEBRUIK VAN DE STANDPLAATS

Artikel 29:

Bij het einde van het gebruik herstelt de begunstigde, op eigen kosten en zonder recht op enige vergoeding, de standplaats en de aanhorigheden in zijn oorspronkelijke staat, behoudens een uitdrukkelijke andersluidende beslissing van het college van burgemeester en schepenen.

 

Artikel 30:

Bij beëindiging van het gebruik wordt door de begunstigde volgende procedure in acht genomen:

· tenminste één maand voor de beëindiging van het gebruik, dient dit schriftelijk te worden gemeld aan het college van burgemeester en schepenen,

· de begunstigde dient ervoor te zorgen dat de standplaats en haar voorzieningen zich bevinden in de oorspronkelijke staat conform de plaatsbeschrijving bij de aanvang van het gebruik zoals bepaald in artikel 8 en 12,

· de aansluitingen van de nutsvoorzieningen moeten worden overgedragen aan de volgende bewoner of de stad. Het bewijs moet hiervoor worden bijgebracht.

· de begunstigde zal de sleutels van het sanitair gebouw aan de stad bezorgen.

Bij het verlaten van de standplaats wordt een plaatsbeschrijving opgesteld door een personeelslid van de technische dienst van de stad Genk in aanwezigheid van de persoon die de standplaats zal verlaten. Ook deze plaatsbeschrijving wordt gedagtekend, opgesteld in zoveel originele exemplaren als er partijen zijn en wordt voor akkoord door elke partij ondertekend. Elke partij ontvangt een origineel van de plaatsbeschrijving.

Indien de begunstigde die de standplaats zal verlaten na een tweede en schriftelijke afspraak niet aanwezig is voor de plaatsbeschrijving, wordt de begunstigde geacht akkoord te zijn met de plaatsbeschrijving.

 

V. SANCTIES

Artikel 31:

Voorzover wetten, besluiten, decreten, algemene en provinciale reglementen en verordeningen geen andere straffen voorzien worden de inbreuken op deze verordening overeenkomstig art. 119bis van de nieuwe gemeentewet gesanctioneerd als volgt:

1. niet-naleving van de bepalingen, vervat in de artikelen 7 lid 1, 10, 19, 20, 24, 25, 26 en 27 worden gesanctioneerd met een schorsing of een intrekking van de vergunning;

2. inbreuken op de overige artikelen worden gesanctioneerd met een administratieve geldboete van maximum € 250,00.

 

ALGEMENE SLOTBEPALINGEN INZAKE DE ALGEMENE EN BIJZONDERE VERORDENING

Artikel 1:

Deze verordening zal bekendgemaakt worden overeenkomstig de artikelen 112 tot en met 115 nieuwe gemeentewet.

 

Artikel 2:

Onderhavige verordening treedt in werking op de datum van bekendmaking door aanplakbrief.

 

Artikel 3:

Afschrift van onderhavige politieverordening zal overeenkomstig de bepalingen van artikel 119 nieuwe gemeentewet overgemaakt worden aan de bestendige deputatie van de provincieraad, aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en de griffie van de politierechtbank.