Geschiedenis van Genk: de windmolen

Heel lang voor de moderne windmolens hun intrede deden, werd het Genkse landschap al door een fraaie houten korenwindmolen gesierd.

De geschiedenis van die windmolen begint bij de uitbating van de Dorpsmolen, een watermolen op de Dorpsbeek aan de Burgemeester Bijnenslaan.
De uitbating van deze molen, die eigendom was van de gemeente Genk, werd voor een periode van zes jaar toegekend aan de ‘hoogste insteker’, de meest biedende. Dat was in 1846 het geval: Arnold Vaes, gehuwd met Anna Maria Van Craybex, kreeg de uitbating toegewezen tot 1852. Hij was tot dan werkzaam bij de vorige uitbater als molenaarsknecht. Het werd echter een rampjaar voor de molenaar, die door de slechte weersomstandigheden en de daaruit voortvloeiende misoogst onvoldoende verdiende om zijn onkosten te dekken. Nochtans bleef Arnold Vaes ook de volgende pachtperiodes mee bieden op de uitbating. Dat deed hij de laatste keer in 1873 toen hij de pacht opzegde.

Blijkbaar was Arnold toen de onzekerheid als pachter moe en wilde hij verder als zelfstandige of zocht hij naar een betere kostwinning voor zijn enige zoon Martinus?
De Bestendige Deputatie van de provincie Limburg keurde op 28 februari 1868 de bouwvergunning goed om een windmolen te bouwen op het stuk grond Schramblook achter de kerk van Genk. Dat perceel grensde met 24 meter aan de weg naar Zutendaal, de huidige Schabartstraat, en met 31 meter aan een servitude weg, nu de Windmolenstraat. De diepte van het perceel bedroeg 98 meter en het had een breedte van 94,5 meter. De inplanting van de windmolen moest op 35 meter van de openbare weg komen.
Op 24 augustus 1868 ondertekende Arnold de bouwmachtiging, op 2 september het kantonnaal akkoord en zo kon de bouw starten. Een uittreksel van het kadaster vermeld de inplanting van de windmolen in 1870.
Het was een houten, gesloten standaardmolen, type ‘onderkruier’: het molenhuis kon in zijn geheel gedraaid worden zodat je de wieken altijd naar de wind kon zetten.

Zoon Martinus Vaes begon bij zijn vader Arnold als molenaarsgast tot aan zijn huwelijk. Na zijn huwelijk werd Martinus officieel als molenaar ingeschreven. Het jonge gezin dat in de loop der jaren gezegend werd met acht kinderen woonde eerst bij zijn ouders in, die volgens belastingsuittreksels in 1874 alle onkosten en belastingen voor de nieuwe molen betaalden. Vanaf 1875 betaalde Martinus zijn belastingen zelf. In 1877 woonde het jonge gezin op het adres Dorp 67, naast of vlakbij zijn ouders. Bij de belastingen was Martinus ingeschreven voor een hele reeks activiteiten: tapper, winkelier, korenwindmolder en beurtelings moutmeulenmolenaar en tenslotte koopman in bloem.
Na het overlijden van Martinus op 4 februari 1901 heeft de molen tijdelijk niet gewerkt. Mogelijk heeft zoon Renier, die in de bevolkingsregisters als landbouwer stond ingeschreven, de molen tijdelijk uitgebaat. Voor de jaren 1903 en 1904 betaalde Johannes Bijnens-Vanheusden uit Bilzen de uitbatingsbelasting.
Midden 1904 werd de molen verhuurd, waarschijnlijk aan Joannnes Henricus Lenskens, die de belasting voor 1905 en1906 betaalde, maar in april 1906 naar St.-Truiden vertrok.
Over de jaren 1906 en 1907 bestaan er geen uitbatingsdocumenten. Alleen weten we dat op 5 februari 1907 moeder Vaes-Theunissen, de echtgenote van Martinus, op 62- jarige leeftijd overleden is. Een jaar later in januari voltrok notaris Bartels van Munsterbilzen voor de zeven kinderen de deling en verkoop van de goederen. Er waren 12 loten te koop, waaruit blijkt dat de familie erg begoed was. Lot 1 was een windgraanmolen met huisje en bouwland dat aanvankelijk niet openbaar verkocht geraakte. Nadien bleek er toch een verkoop met akkoord geweest te zijn. Zo kwam de windmolen met een doormeter van 6,80 m in handen van de nieuwe eigenaar Pieter Jan Evers- Vaes -nog steeds een Vaes- die hem in Genk liet afbreken en in Zonhoven weer opbouwen door molenaar Theodoor Janssen einde 1910 of begin 1911. Onze molen bleef daar nog draaien tot in 1930 en verdween voorgoed in het jaar 1935.

Hiermee kunnen we dan ook zeker zijn dat de windhoos die in 1912 de torenspits van onze kerk in Genk neerhaalde, niet de oorzaak was van het verdwijnen van onze windmolen, zoals nog wel eens gedacht wordt. 

Met dank aan de archieven van de Genker Heemkring Heidebloemke.